Kathedraal – Raymond Carver

Het uitgebeende proza van Raymond Carver beïnvloedde talloze schrijversgeneraties. Maar zijn korte verhalen – met veel alcoholisme, suburbia-troosteloosheid en scheidingsperikelen – hebben naast idolate fans ook rabiate tegenstanders. Doorstaat het ‘dirty realism’ van Carver de tand des tijds? Recyclezer Dirk Leyman toetste het aan de hand van ‘Kathedraal’.

De koning van het kitchen sink drama, zo zou je Raymond Carver (1938-1988) kunnen omschrijven. Ware het niet dat de bescheiden Carver geen hoge pet op had van eretitels. Mistroostige verhalen schreef de Amerikaanse auteur, die al op zijn vijftigste overleed aan de gevolgen van longkanker. Verhalen waarin de hoofdpersonages hun geluk, geld en gezin achteloos door de vingers zien glippen en de teleurstelling onverbiddelijk het roer in handen neemt. Vaak bezitten Carvers figuren niet de kracht om hun leven in een betere plooi te leggen. Haast filmische verhalen in een zuinige taal zijn het, waarbij de witregels even essentieel zijn als de weloverwogen woorden. Ze baden in een atmosfeer die volgens sommigen wel eens appelleert aan de schilderijen van Edward Hopper. Maar dat klopt slechts ten dele. Bij Carver is de leefwereld morsiger en minder suggestief, zeker ook door dat alomtegenwoordige alcoholisme én de bittere houdgreep van de dagelijksheid. Reminiscenties aan bepaalde foto’s van Nan Goldin komen ook wel eens akelig dichtbij.

Dirty realism

Carver was ervan overtuigd dat het mogelijk moest zijn om “over gewone dingen en zaken te schrijven met gewone, maar precieze taal, en deze dingen – een stoel, een gordijn, een vork, een steen, een oorbel – van een immense, zelfs verrassende kracht te voorzien.” Met die visie sloot Carver nauw aan bij de kliek van het ‘dirty realism’, met bijvoorbeeld auteurs als Ann Beattie, Frederick Barthelme, Richard Ford en Tobias Wolff, die op hun beurt beïnvloed waren door de kale stijl van Ernest Hemingway. Geen theoretisering, gevleugelde gedachten of doortimmerde plots bij Carver. Het ordinary life van de door het leven gehavende Amerikaan en de doorsnee blue collar worker staat vaak centraal, in al zijn kleurloosheid en grauwheid. Maar de impact van zijn schrale proza was immens, met vertalingen in twintig landen, diverse onderscheidingen en een stoet navolgers en epigonen, die dachten dat ze met zuinig schrijven op safe zaten. Schrijvers als Jan van Mersbergen, Sanneke van Hassel, Rita Demeester, Ton Rozeman drukken zijn voetspoor – al is het Carver-trucje niet zo makkelijk te herhalen. Zelfs de Nieuw-Zeelandse popzangeres Lorde noemt Carver een grote invloed.

Drankduivel

Raymond Carver wist waarover hij sprak toen hij armoede en krasselende levensomstandigheden op papier zette. Hij omschreef zichzelf wel eens als een ‘paid-in-full member of the working poor’. Carver, geboren op 25 mei 1938 in Clatskanie (Oregon), was de zoon van een serveuse en een alcoholische houtzager. Zelf kwam hij ooit aan de bak als bode, pompbediende, kruier, schoonmaker in een ziekenhuismortuarium en colporteur van encyclopedieën. Twintig jaar lang zat hij gebarricadeerd in een mislukt huwelijk, terwijl ook de drankduivel hem danig parten speelde. Carver was al vroeg geporteerd voor het korte verhaal dat hij verfijnde tussen al zijn onderbetaalde baantjes door. De vonk kwam er toen hij een cursus creative writing volgde bij de schrijver John Gardner, die lange tijd fungeerde als zijn mentor. Carver publiceerde zijn eerste verhaal al in 1961 en werkte zich langzaam op als docent (in onder meer creative writing) nadat hij op eigen houtje universitaire studies aanvatte. Zo doceerde hij later diverse jaren aan de Universiteit van Texas en aan Syracuse University en kreeg hij vanaf 1983 een uitgebreid stipendium waarmee hij zich full-time op het schrijven kon toeleggen. Het tij keerde nog meer toen hij schrijfster Tess Gallagher leerde kennen en hij de fles afzwoer. Zijn beste verhalen – zo beweerde hij – schreef hij toen hij droog stond.

Maximaal effect

In 1976 maakte Carver zijn ‘officiële’ debuut met Will You Please be Quiet, Please?, meteen geshortlist voor de National Book Award, in 1981 gevolgd door wat wellicht zijn beroemdste bundel werd: What We Talk About When we Talk about Love (1981). Bij leven verscheen nog Cathedral (1983) en Where I’m Calling From (1988), al bleef Carvers oeuvre beperkt van omvang. Maar met maximaal effect. Carver was trouwens ook een begaafd dichter, in de traditie van Robert Frost. Later kwam evenwel aan het licht dat zijn dominante redacteur Gordon Lish drastisch de schaar had gezet in zijn verhalen en ze zo – ironisch genoeg – nog uitgebeender maakte dan Carver ze oorspronkelijk bedoelde. Dialogen werden gedecimeerd en complete delen herschreven om ze nog meer te versoberen. Carver was daar naderhand steeds minder mee opgezet, vooral omdat hij wilde tonen dat hij meer in zijn mars had. En ook omdat hij meer lucht én mededogen in zijn proza wilde toelaten. Pas na zijn dood doken de ongepolijste en door Carver geschreven versies op, op initiatief van zijn weduwe Tess Gallagher. Dan bleek dat Lish soms 75 procent van de verhalen in de papiermand had gekieperd. Toch was de Carver-touch onmogelijk weg te wissen.

Beperkt register

Het bij De Bezige Bij heruitgeven Kathedraal (1983) toonde overduidelijk die op til zijnde, voorzichtige kentering in Carvers oeuvre. Meer warmte, meer losse eindjes én meer momenten van optimisme. Niet altijd weer dat gedrilde minimalisme, al had Carver zelf een hekel aan het woord en liet hij zich niet in hokjes stoppen. Wel zijn de thema’s onveranderd en vind je in Kathedraal een paar van zijn beroemdste verhalen, waaronder het titelverhaal, ‘Waar ik vandaan bel’, ‘Veren’ en ‘Een kleine weldaad’.

Ik moet bekennen dat ik destijds niet warm liep voor Raymond Carver. Ooit maakte ik kennis met Carver via het Nieuw Wereldtijdschrift van Herman de Coninck, die een groot pleitbezorger was van de Amerikaan en aan de lopende band verhalen van hem publiceerde. Maar Carvers proza was me te beperkt van register. Mooie zinnen lees je er inderdaad niet in. Het was de periode toen vooral de taalvirtuozen, de polemisten, de decadenten en de grote geesten me konden behagen. Literatuur moest je boven de wereld laten uitstijgen, je taal- en esthetisch plezier bezorgen, vernuftig geconstrueerd zijn en je wereldbeeld scherpen. En een ijzersterke plot was ook meegenomen. Wat had de vaak geïmiteerde banaliteit van Carver met mijn leven te maken? Niks. Ik liep er met een boogje omheen. En als je dan al over de barre realiteit schrijft, tuig ze dan toch op met woorden, aub. Toch klopte Carver af en toe weer op de deur. En ik liet hem binnen. De klik kwam er na het zien van de Robert Altman-film Short Cuts (1993) -gebaseerd op Carver-verhalen- waarna ik ze weer aandachtig ging herlezen. Langzaam begon ik te begrijpen waar het Carver om te doen was – het kwartje viel – en kon ik zijn mechanismen ontrafelen. Ik ontdekte hoe ingenieus hij te werk ging en wat een talent hier te herontginnen viel. Ja, zo kon je dus ook schrijven. En waarom de neus ophalen voor het gewone leven? Niemand ontsnapt aan de banaliteit en de teleurstelling, al moet je ze dan zoveel mogelijk zien te vermijden.

Minder is meer

Carver kan als geen ander het doodgewone bestaan verhevigd belichten, zo blijkt ook uit Kathedraal. Wél doet hij dat pijnlijk accuraat. Ook in deze bundel is minder nog steeds méér. En is minder meer dan genoeg voor de alerte lezer. Het is meestal niet fraai wat je te zien krijgt. Huwelijken lijken voorbestemd om in scheidingen uit te monden. Kijk naar de verhalen ‘Chefs huis’ en ‘Waar ik vandaan bel’ (dat zich afspeelt in een afkickcentrum). De drank vloeit (of wordt zelfs behendig verstopt) en maakt veel kapot. En van gesprekken word je ook niet veel wijzer. Zoals Denis Donoghue het ooit omschreef: “In Raymond Carver’s stories, it is dangerous even to speak. Conversation completes the damage people have already done to one another in silence.” Zie bijvoorbeeld ‘De coupé’ met de gescheiden vader – al lang gebrouilleerd met zijn zoon – die hem na een brief besluit op te zoeken in Straatsburg. Tot hij op het laatste moment toch niet uit de trein stapt. “De laatste keer dat Myers zijn zoon had gezien was die hem tijdens een hevige ruzie te lijf gegaan.” Het verdwijnen van zijn koffer is een extra scharniermoment. Hier toont Carver opnieuw hoe minuscule details alles kunnen doen kantelen.

Perpetuum mobile

Terecht beroemd is het verhaal ‘Een kleine weldaad’, waarin een koppel geconfronteerd wordt met een bruut verkeersongeval van hun zoontje, pal op zijn verjaardag. Carver toont hoe hun hoop aan diggelen wordt geslagen en hoe ze zich vastklampen aan elke strohalm. En dat laat Carver doorkruisen door afgebeten telefoontjes die hen – net in het midden van het drama – bestoken. De lezer kent het misverstand, de personages (nog) niet. Tot er alsnog een verzoening komt, zonder klefheid. Een verhaal van wereldklasse en meteen ook een van de signalen dat Carver milder werd.

Al even beroemd is het titelverhaal ‘Kathedraal’, met de beginzin: “We kregen een nacht een blinde te logeren, een oude vriend van mijn vrouw.” Die blinde zorgt voor gevoeligheid bij de verbitterde hoofdfiguur, wanneer hij zijn hand leidt om een kathedraal na te tekenen. Verwijzend naar zijn eigen verleden als huis-aan-huisverkoper is er ‘Vitaminen’, een vintage Carver, waarin een man een oog laat vallen op een vriendin van zijn vrouw, tot een brouille in een kroeg voor een dreigende atmosfeer zorgt. Einde onhandige versierpoging. Mannen zijn vaak lomp bij Carver, vol verdrongen begeerte die plots de kop opsteekt en dan weer gedwarsboomd wordt, zodat ze gefrustreerd achterblijven. Zo lonkt weer de fles. Carvers wereld is een perpetuum mobile, met soms ongerijmde flitsen van humor (zie de gidsafdruk van “het rommeligste gebit ter wereld” in ‘Veren’ of ‘Voorzichtig’ waarin een pas gescheiden vrouw opgewarmde baby-olie in het oor van haar ex giet om een prop te verwijderen).

Allemaal entertainment

‘Kathedraal’ is een bundel die je lang op je moet laten inwerken én die je blik op de buitenwereld ongemerkt aanscherpt. En - die net als ander proza van Carver – onwaarschijnlijk veel theorievorming en wetenschappelijke studies heeft opgeleverd. Opmerkelijk voor zo’n volstrekt ontheoretisch proza. Toch had de schrijver weinig verwachtingen over zijn verhalen. “Ik denk niet dat ze mensen op een ingrijpende manier veranderen”, vertelde hij aan The Paris Review. “Misschien wel helemaal niet. Kunst is tenslotte een vorm van entertainment, nietwaar? Voor zowel de maker als de consument. Ik bedoel op een bepaalde manier is het hetzelfde als een potje biljarten of kaarten, of bowlen…Het is gewoon een andere, ik zou zeggen, een hogere vorm van amusement. (…..) Met proza dingen veranderen, iemands politieke overtuigingen of het politieke systeem zelf, of de walvissen of roodsparren redden, nee.”

Dirk Leyman

[Kathedraal van Raymond Carver is uitgegeven bij De Bezige Bij, 239 pagina’s.]

Volgende aflevering van de Recyclezer: Jan Wolkers, Turks fruit.

TAGS:

Radetzkymars – Joseph Roth

door Dirk Leyman
Met Radetzkymars vestigde de tragische emigrantenschrijver Joseph Roth in 1932 voorgoed zijn faam. Als geen ander wist hij het onbehagen en de teloorgang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie te traceren in een roman vol haarfijne portretten. Maar amper één jaar na verschijning van deze instant klassieker werden zijn boeken door de nazi’s op de brandstapel gekeild.

Een beduimeld, enigszins schonkig mannetje. Het haar klissig tegen de schedel geplakt. Onfris ogend snorretje en uitpuilende ogen. Een fel gezwollen gezicht, stijf van de drank. Zo tonen de meeste foto’s ons de Oostenrijkse journalist en exilschrijver Joseph Roth (1894-1939). Desondanks wekken ze een unheimische sympathie op voor deze ongrijpbare zwerfkat, die verslaafd was aan het transitbestaan in hotels en zijn boeken schreef aan cafétafels over heel Europa, van Berlijn tot Wenen, Oostende, Amsterdam en Parijs. “Hij dronk in alle getijden uit dorst naar een eeuwige zomer”, zo dichtte Anton van Duinkerken, een van zijn Nederlandse vrienden, ooit. Niet voor niets heette zijn laatste boek ‘De legende van de heilige drinker’. De alcohol werd zijn ondergang. Tja, wat wil je? Joseph Roth torste bovendien ook de ineenstorting van het hele Europese continent op zijn tengere schouders. Deze eeuwige literair emigrant moest uiteindelijk op de loop voor de machtsgreep van Hitler, die hij als geen ander met een bang maar visionair oog had zien aankomen. “Als één schrijver voor mij het oude Europa belichaamt, dan wel Joseph Roth. Wat een droevig genot hem te lezen”, zo prees Benno Barnard hem ooit tijdens zijn Huizinga-lezing in 2002 over Roth. “Hij verkeerde op intieme voet met de ondergang, hij was een van de grootste connaisseurs van de ondergang die de twintigste eeuw heeft voortgebracht”, schrijft Arnon Grunberg, in zijn inleiding bij de Nederlandse vertaling van ‘Vlucht zonder einde.’

Inkt uit de poriën

Het lijkt erop alsof de groep Roth-bewonderaars de laatste tijd weer exponentieel toeneemt. Ook schrijvers als Geert Mak, Geert van Istendael, Tom Lanoye en Stefan Hertmans wijdden fraaie woorden aan Roth. Net als Claudio Magris en J.M. Coetzee. En Erwin Mortier typeerde hem als “een schrijver die als je zijn handen zou amputeren desnoods de inkt uit zijn poriën zou laten gutsen”. Sinds enige jaren komt Roths oeuvre weer systematisch beschikbaar in Nederlandse vertalingen, door de inspanningen die uitgeverijen Atlas/Contact en LJ Veen zich hebben getroost. Ook literair vertaalster Els Snick heeft zich in Roth vastgebeten. Ze promoveerde op het werk van Roth en bracht zo zijn turbulente verblijf in Vlaanderen en Nederland in kaart, neergeschreven in ‘Waar het me slecht gaat is mijn vaderland’ (2013). Dit voorjaar verscheen ook nog ‘Hotelmens’, een bundeling van krantenreportages en brieven waarin Roths verknochtheid aan hotels is gedocumenteerd. Zie onze bespreking hier op Cobra.be.

Mythomaan

Een verfomfaaid heertje met voorname manieren. Een mythomaan die de schulden opstapelde en zijn uitgevers tot wanhoop dreef met zijn gehengel naar voorschotten. Of een rusteloze man die merkwaardige politieke en ideologische paradoxen koesterde? Op Roth was niet zo meteen een pasklaar etiket te kleven. “Geen mens krijgt echt hoogte van Roth. Hoe serieus is, bijvoorbeeld, het geschwärm van deze Jood met het katholicisme, hoe gemeend de Habsburgse dromerij van deze voormalige socialist?”, noteert Mark Schaevers in zijn exilportret ‘Oostende, de zomer van 1936’. Maar Roth is vooral een pur sang schrijver, die met een paar pennentrekken onnavolgbare personages kon neerzetten en een aura van droefenis, mededogen, ironie en zelfs een vleug sentiment over zijn boeken kon draperen. Geschreven vaak ook met de jachtige gedrevenheid die een journalist eigen is. Roth had een broertje dood aan beschouwelijkheid of abstractie en gaf de voorkeur aan portrettering, atmosfeer en tastbare verslaggeving. Zijn productie was – ondanks zijn drankconsumptie – fabelachtig en het kostte biografen de grootste moeite om alles te inventariseren. De balans staat nu op dertienhonderd artikelen journalistiek werk, zestien romans, negentien novelles en talloze feuilletons en verhalen, waarbij titels als ‘De Kapucijnercrypte’, ‘Job’ en ‘Radetzkymars’ de illustere hoogtepunten vormen.

Pen als wapen en toverstaf

Joseph Roth werd op 2 september 1894 geboren in een verloren uithoek van het toenmalige Habsburgse rijk, in Oost-Galicië, dat hijzelf kenschetste als ‘het Siberië van het Habsburgse rijk’. Het gebied behoort nu tot de Oekraïne. Opgegroeid als Joodse halfwees nam hij na zijn studies in Wenen in 1916 dienst in het leger, waar hij uiteindelijk in Galicië als vaandrig diende. Na de oorlog begon hij er een stevig publicatieritme op na te houden, waarbij hij diverse Duitse en Oostenrijkse kranten als opdrachtgever had, soms ideologisch van een heel ander kaliber. Eerst in Wenen, waar hij “van Karl Kraus leerde wat een pen was: een wapen tegen domheid en boosaardigheid”, zo schreef Benno Barnard. “Hij sprong er effectiever mee om dan het Oostenrijkse leger met de bajonet. Maar anders dan bij Kraus was de pen in zijn hand ook een toverstaf, waarmee hij een voorbije wereld opriep.” Als journalist maakte hij snel furore, met reisreportages naar onder meer Rusland. Hij rotste geheel Europa af. “Zijn oeuvre ademt, als geheel, een typisch journalistieke combinatie van verbijsterend talent en richtingloze ijver”, zo vond bewonderaar Geert Mak in een essay uit 2010. Ondertussen was hij ook befaamd geworden voor zijn romans. Zijn eerste roman ‘Das Spinnennetz’ verscheen als feuilleton in de Weense Arbeiter Zeitung, maar als zijn officiële debuut geldt ‘Hotel Savoy’ uit 1924. Pas met ‘Job’ uit 1930 – over een berooide Galicische onderwijzer die naar Amerika trekt – beleeft Roth zijn finest hour, met zelfs vertalingen tot in de VS en een verfilming. En dan kwam ‘Radetzkymars’, dat al bij verschijnen in september 1932 een uitstekend onthaal kreeg en hoge verkoopcijfers haalde.

Maar toen Hitler aan de macht kwam in 1933 werd Roth persona non grata in Duitsland. Zijn boeken werden verboden en zijn inkomsten geconfisqueerd. Zijn grote train de vie verderzetten bleek onmogelijk. Roth zocht soelaas bij Nederlandse uitgevers en schooide om voorschotjes en geld, en vooral zijn elegante vriend Stefan Zweig fungeerde daarbij als gedroomde melkkoe. Roth stierf uiteindelijk aan de gevolgen van een delirum tremens in een Parijs armenhuis op 27 mei 1939. “Een te zwaar beladen boot, die zinkt als een baksteen”, zo luidde een visionaire omschrijving van Auguste, Roths favoriete portier in zijn Parijse hotel.

Definitief adieu

Met ‘Radetzkymars’ (1932) leverde Roth een roman af die de stuiptrekkingen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie (“das Kaiserliche und Königliche Reich”) als geen ander voorzag van een subtiel spinrag van melancholie. De geschiedenis van drie telgen van het geslacht von Trotta tijdens de periode 1859-1916 leest als “een lijkschouwing van het oude Oostenrijk”, om nogmaals Barnard te citeren. Het is een definitief adieu van een verzwindende wereld, een soort Last Post voor verkruimelende tradities en versleten gebaren, waar uiteindelijk een immense leegte van afstraalt. De personages zitten vast in een keurslijf van rituelen en formalisme, geharnast door opvoeding en maatschappijregels.

‘Radetzkymars’ verbluft vaak door de gedetailleerde manier waarop Roth zijn oog laat dwalen over zijn personages en over hun hebbelijkheden. Of over hun taalgebruik, zoals hier bij baron van Trotta und Sipolje, het districtshoofd: “Hij sprak het nasale Oostenrijkse Duits van de hoge ambtenaren en de lage adel. Het deed enigszins denken aan verre gitaren in de nacht, ook aan de laatste, lichte trillingen van wegstervende klokken, het was een zachte maar ook precieze taal, teder en boosaardig tegelijk.” Dat is bij momenten deze roman zelf ook. Schijnbaar welwillend en vol nostalgie, maar in wezen ook messcherp van inzicht én genadeloos. Dat de dubbelmonarchie uit elkaar zou vallen en verstard was, maakt Roth soms aangrijpend invoelbaar. Daarom zit ‘Radetzkymars’ vol subtiliteiten die de ineenstorting aankondigen. Of zoals Piet De Moor het vaststelde in Knack: “Velen hebben Joseph Roth een antimodernistische utopist genoemd omdat hij in ‘Radetzkymars’ de Habsburgse monarchie verheerlijkt zou hebben. Dat is niet juist. Op elke bladzijde voel je Roths treurnis omdat het keizerrijk zijn kansen niet heeft benut om iets groters, ruimers en verheveners tot stand te brengen.”

De leugen bestrijden

Magistraal zijn bijvoorbeeld de eerste honderd pagina’s waarin onder meer de Sloveense landwerker Joseph von Trotta tijdens de Slag van Solferino in 1859 de keizer van een gewisse dood redt, door hem tegen de aarde te drukken, waardoor hij zelf op het slagveld de kogel in zijn sleutelbeen incasseert. Toch overleeft hij en wordt hij vervolgens in de adelstand getild. Maar wanneer Joseph von Trotta ontdekt dat in de geschiedenisboeken de feiten danig zijn gemythologiseerd – hij zou op “een met zweet bedekte vos” zijn komen aanstormen, terwijl hij niet eens tot de cavalerie behoorde – ontploft hij. Hij gaat tot bij de Keizer op audiëntie om de leugen te bestrijden, ondanks alle lauwerkansen die de heldendaad hem opleverde. Hij heeft het gevoel dat de ooit zo eerbare dubbelmonarchie definitief van haar voetstuk is getuimeld. Al snel verlegt Roth de aandacht naar de zoon Franz, die tot districtshoofd opklimt, en kleinzoon Carl Joseph, een weekhartige, melancholische figuur. Om zo de vader-zoonrelatie in ronduit uitmuntende passages te vatten. Zo accuraat dat je regelmatig opveert van bewondering. Het districtshoofd laat elke zondag weer de Radetzkymars van Johann Strauss voor het plein voor zijn huis uitvoeren, een populaire hymne die Roth ooit zelf schamper wegwuifde als de ‘Marseillaise der Konservatismus’. Franz is gezagsgetrouw en mediocre, een toonbeeld van een beginselvast ambtenaar die niet buiten de lijntjes kleurt, doof voor de tekenen van verval. Bij Carl Joseph ligt het anders. Hij blijft weliswaar gebiologeerd door de grootvader maar beseft dat hij nooit echt in zijn voetsporen zal treden, ondans zijn militaire opleiding en klim tot officier – mede door de eretitels van zijn grootvader. “De nieuwsgierigheid van de kleinzoon draaide voortdurend rond de vergeten figuur en de verloren gegane roem van zijn grootvader”, schrijft Roth. Urenlang tuurt hij naar het schilderij van Joseph von Trotta om zijn trekken te bestuderen. Maar Carl Joseph Von Trotta aardt niet in de soldatenwereld en wordt er geconfronteerd met corruptie, indolentie en een uitgedoofde moraal.

Zijn dromerige natuur krijgt nog meer voeding wanneer hij wordt overgeplaatst naar Galicië, de meest verlaten streek van het Habsburgse rijk. Daar zet zijn verval onherroepelijk in. Drank en gokzucht krijgen hem in de greep. Twijfels over zijn militaire bestaan teisteren hem voortdurend. Toch wordt hij weer onder de wapenen gehaald, om bij de eerste oorlogsschermutselingen van de Eerste Wereldoorlog in weinig verheffende omstandigheden te sterven. Een betere metafoor voor de ‘Werdegang’ van het geslacht von Trotta valt niet te bedenken, temeer zijn vader hem met twee jaar overleeft en pas op hetzelfde tijdstip als de Keizer sterft.

Ambivalenties

‘Radetzkymars’ kost de moderne lezer wellicht enig aanpassingsvermogen. Maar eens je op sleeptouw bent genomen door Roth, wil je lang en breed vertoeven in deze roman vol ambivalenties, in zekere zin ook een weerspiegeling van Roths persoonlijkheid. Hoe hoog Roth de lat legde, blijkt uit het feit dat hij voor dit vrij traditioneel gestructureerde boek zijn journalistiek werk opzij zette en alle hens aan dek riep. “Roth deed voor het schrijven van zijn omvangrijkste werk iets wat hij nooit eerder had gedaan en ook later niet meer zou doen: hij maakte voorstudies en verdiepte zich in klederdrachten, ceremonieel en vooral in het taalgebruik van de militaire en ambtelijke kringen uit de oude monarchie”, zo merkt Roth-kenner Wil Rouleaux op in een doorwrochte analyse van ‘Radetzkymars’ in Trouw. Precies daardoor zit ‘Radetzkymars’ volgestouwd met de prachtigste details, als een prisma waar je steeds weer nieuwe kleuren en schitteringen van ontdekt, mede door de glasheldere stijl van Roth.
Het belette allemaal niet dat ‘Radetzkymars’ een moeizame bevalling werd en de deadline voortdurend opschoof, tot wanhoop van zijn uitgever. De mythe wil dat Roth zelfs het integrale vierde hoofdstuk in een taxi liet slingeren in Berlijn en helemaal overnieuw moest schrijven. Gelukkig maalde Roth – met zijn jachtige ritme – er niet om weer de draad op te pakken. Zijn ‘Radetzkymars’ moest en zou zijn beslag krijgen. Dat hij een nazaat van het geslacht von Trotta opnieuw een plaats gaf in ‘De Kapucynercrypte’ (1938), bewijst hoe nauw hij zich met deze personages verbonden bleef voelen.

['Radetzkymars' - Joseph Roth. Uitgeverij Atlas/Contact & Veen, vertaling W. Wielek-Berg, herzien door Elly Schippers, 383 pagina’s]

De glazen stolp – Sylvia Plath

Ontreddering komt op een diefje in De glazen stolp van Sylvia Plath. Deze cultkroniek van langzaam wegglijden naar de afgrond heeft geen splinter van zijn kracht ingeboet, mede door de aparte beeldentaal van Plath.

door Dirk Leyman

Hoe onbevangen kun je De glazen stolp (1963) lezen, als je weet dat de schrijfster ervan een maand na verschijning haar hoofd in een gasoven legde en uit het leven stapte? Bovendien is De glazen stolp een roman over een talentvol societymeisje in de jaren vijftig, dat na een aantal ontgoochelingen wegzeilt in een depressie en in de psychiatrie belandt. Dat zit wel erg dicht op de huid van Sylvia Plath zelf. Ondernam ze in 1953 na een electroshocktherapie al niet een zelfmoordpoging? Kortom: genoeg aanknopingspunten voor een strikt autobiografische lezing. En natuurlijk is dat gretig gebeurd met Plaths enige prozawerk, geschreven onder het pseudoniem Victoria Lucas. Dat lot viel trouwens ook haar in omvang bescheiden poëzieoeuvre te beurt, waar zoveel tragische en wanhopige dichtregels voor het grijpen liggen (‘Dying / Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well’).

Labiel schepsel met egocentrische trekjes

Nog steeds spitten horden biografen in het kortstondige maar turbulente leven van de Amerikaanse schrijfster. Vorig jaar verschenen er zelfs twee nieuwe levensstudies:  American Isis van Carl Rollyson en Mad Girl’s Love Song van Andrew Wilson. Om telkens weer een zweem van raadselachtigheid toe te voegen aan de mythe én Plath af te schilderen als een doordravend, labiel schepsel met egocentrische trekjes. Feministische literatuurwetenschappers probeerden haar al veel langer voor hun kar te spannen. Zeker omdat haar Britse echtgenoot, de vermaarde dichter Ted Hughes (1930-1998), haar kort voor haar dood in de steek liet voor de jongere Assia Wevill en gemakshalve als boeman mocht fungeren. En pleegde Wevill later ook geen zelfmoord, op dezelfde manier als Plath?  Andere biografen zijn – net als Hughes zelf – van oordeel dat Plath suicide een onafwendbare uitkomst was van haar bipolaire stoornis.

De roem kwam Sylvia Plath (1932-1963) pas postuum aanwaaien, zo gaat dat nu eenmaal. Na haar vroege dood kreeg ze zelfs de Pulitzer Prize. Haar consacratie kwam er met de (nota bene door Ted Hughes samengestelde) gedichtenbundel Ariel (1965), terwijl ook The Bell Jar in de loop van de jaren zestig tot een waar cultboek uitgroeide. “Sylvia Plath is voor de literatuur misschien wel wat de in datzelfde jaar vermoorde John F. Kennedy voor de wereldgeschiedenis was en Marilyn Monroe, die een paar maanden voor Plath zelfmoord pleegde, voor de populaire cultuur: een in de knop gebroken icoon”, schrijft poëziecriticus Rob Schouten vorig jaar in een artikel in Vrij Nederland. Een overtrokken vergelijking misschien, maar zeker niet gespeend van enige waarheid. Haar leven inspireerde filmmakers (u herinnert zich de biopic Sylvia uit 2003) en zelfs popmuzikanten, zoals Ryan Adams met het nummer Sylvia Plath.

Donkere stemmingen

De hoofdlijnen van Plaths leven zijn vaste prik voor literatuurstudenten. Haar hypochondrische vader Otto Plath, een professor zoölogie van Duitse afkomst, sterft wanneer Plath amper acht jaar was. Plath krijgt vervolgens een modelopvoeding door haar moeder en spreidt al vroeg dichterstalent tentoon. Cum laudestudies volgen in Northampton, waarna ze in Cambridge mag gaan studeren. Daar ontmoet ze Ted Hughes, met wie ze in 1956 in het huwelijk treedt en twee kinderen zal krijgen. Plath lijkt alle troeven in handen te hebben voor een literair droomhuwelijk, maar de klad komt er sneller in dan gedacht. Plaths ambitie en sociale façades worden in de wielen gereden door haar steeds opdringerig wordende donkere stemmingen, waarmee ze al sinds haar adolescentie kampt. Diverse zelfmoordpogingen zijn het gevolg. Er schuilt een dubbele persoonlijkheid in Plath. Schrijft ze in brieven aan haar moeder dat haar honeymoon in Spanje idyllisch is, in haar dagboeken luidt het op dat moment: “The world has grown crooked and sour as a lemon overnight.” In 1960 maakt Plath haar debuut met de dichtbundel Colossus. Wanneer Hughes een affaire krijgt met de ravissante Assia Wevill, de vrouw van de dichter David Wevill, loopt het huwelijk op de klippen. De verdachtmakingen grijpen om zich heen en Plaths mentale ontsporing kent geen maat meer. Ze keert terug met haar kinderen in Londen, waar ze een vroeger woonhuis van William Butler Yeats betrekt, en schrijft fanatiek aan veertig gedichten, die later in ‘Ariel’ terechtkomen. Op 11 februari 1963, in het hart van een van de koudste winters van de twintigste eeuw, pleegt Plath zelfmoord. Kort daarvoor had ze de spleten van de keukendeur met natte handdoeken verzegeld om het gas niet te laten ontsnappen. In de kamer ernaast had ze netjes een ontbijt voor haar twee kinderen klaargezet.

Ontreddering op een diefje

De hamvraag is: valt The Bell Jar te lezen zonder al deze voorkennis? Het antwoord is volmondig ja. Waarom ze dan toch meegeven? Omdat ze onmiskenbaar een extra pigment verstrekken aan deze roman, terecht bevorderd tot een all time American classic. Want soms kun je wel heel directe parallellen met Plaths leven aanwijzen.

Wie het boek opslaat, zal meteen getroffen worden door de springerige, wat waanwijze toon van de vertelster, de begaafde Esther Greenwood. Ik ben niet de enige die heeft gewezen op de parallellen met J.D. Salingers held Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, zij het dat Esther Greenwood uit De glazen stolp begiftigd is met een speelser taalvermogen. De je ne sais quoi-attitude, lichtjes hautain en soms ongemeen scherp, maakt dat je meteen in de roman zit. Eerst straalt Greenwood zelfs nog een zekere lachebekkerij uit. Ze dolt met haar New Yorkse omgeving en haar vriendinnen, ze popelt van ambitie, maar gaandeweg beseffen we de ernst van haar mentale situatie. En die degradeert onverwachts. Ontreddering komt op een diefje bij Sylvia Plath. Lang, al te lang, wordt de schijn hoog gehouden.

Renpaard zonder renbanen

Greenwood is een jaar of twintig wanneer ze in New York terechtkomt en er een cursus mag volgen om haar journalistieke loopbaan te laten ontvlammen. Ze is afkomstig uit een saai voorstadje van Boston, waar ze slechts “tot haar negende zielsgelukkig is geweest”, tot op het moment dat haar vader overleed. Er lijkt in New York een bollenwinkel voor Esther open te gaan, zeker als ze onder de vleugels wordt genomen door J.C., “de beste redactrice die er bij een intellectueel modeblad te vinden was”, een dame met “hersens” maar “een gemene tronie.” Toch verknoeit Greenwood het spoedig en raakt ze het spoor bijster in de stad en vooral in haar eigen geest, geprangd als ze zit tussen oude rollenpatronen, een grote vrijheidsdrang en haar vriendinnen, de goedmoedige Betsy en vrijgevochten, ad remme Doreen. Ze wordt geteisterd door een gevoel van “jammerlijk tekort schieten”: “Het vervelende was dat ik altijd al tekort had geschoten, ik had er gewoon nooit bij stilgestaan.”

Het wemelt van die op mislukking afstevenende, haast achteloos neergeschreven zinnetjes bij Plath, die je plots naar de keel grijpen: “Toen vroeg ik me af waarom ik niet van ganser harte kon doen wat ik laten moest, en daar werd ik nog vermoeider en droeviger van.” En dan beseft ze, in een krachtig beeld: “Ik voel me een renpaard in een wereld zonder renbanen.” Tot ze begint te “verslappen, trager te lopen, zich gewonnen te geven”.

Ook Esthers verhouding tegenover mannen is dubbelzinnig: “Daar ging ik weer: een romantisch droombeeld opbouwen van een man die zodra hij me zag hartstochtelijk verliefd op me zou worden,en dat alleen op grond van een onbenullig telefoontje”, verzucht ze. Maar tegelijk is Esther meedogenloos. Als haar eerste vriendje Buddy Willard zich voor haar uitkleedt, noteert ze: “Ik kon aan niets anders denken dan kalkoenennek en kalkoenenmaagjes en ik raakte heel erg gedeprimeerd.” De worsteling met seksualiteit is een constante in de roman, waarbij Plath zelfs het begrip ‘reinheid’ in stelling brengt en Esther er lang laat over filosoferen. “Het ging telkens weer hetzelfde: ik kreeg in de verte een volmaakte man in het oog, maar zodra hij naderbij kwam, zag ik onmiddellijk dat hij totaal ongeschikt was.” Het ritueel  van de (bijna-)ontmaagding beslaat ettelijke pagina’s.

Bevoorrechte waarnemer

Wanneer Esther wordt afgewezen op de schrijfcursus – iets wat Plath ook zélf overkwam met de auteur Frank O’Connor – gaat haar wereld sneller aan het tollen. Haar amechtige pogingen om zelf een roman te schrijven, opnieuw thuis in Massachusetts, komen niet van de grond. Omdat ze het leven niet genoeg heeft doorleefd, zo vermoedt ze. “Hoe kon ik over het leven schrijven, als ik nog nooit een minnaar had gehad, of een kind gekregen, of iemand dood had zien gaan?” Dan volgen de pikzwarte gedachten, de zelfmoordpogingen, een psychiatrische kliniek, elektroshocks én amateuristische maneuvers van het medisch personeel. “Hoe hopelozer je was, des te verder stoppen ze je weg.” Tot er wat licht aan de horizon lijkt te gloren. Bedrieglijk licht, zoals we nu weten.

De glazen stolp verbluft je keer op keer met lucide inzichten en taferelen die erin hakken. Beelden met een soms overvloedig woordenarsenaal, maar vaak zeer accuraat, scherp als een scalpel. En ontegensprekelijk ook wel ‘ns grappig. Om het met de woorden van Hughes te zeggen: “When a real self finds language, and manages to speak, it is surely a dazzling event”. Dat is inderdaad wat De glazen stolp teweegbrengt. Geen zwelgen in opzichtig zelfbeklag hier, zoals dat wel in andere teksten van Plath het geval is. Esther Greenwood kijkt naar haar eigen leven zonder pudeur, intelligent en cynisch, als een bevoorrechte waarnemer. Maar ze is niet staat het wegglijden naar de afgrond af te remmen. Esther Greenwood palmt je in, strijkt je tegen de haren, jaagt je op de kast én charmeert je. Vijftig jaar na datum heeft deze roman geen splinter aan kracht ingeboet en blijf je wat verweesd achter, weer mijmerend over dat rare leven van Sylvia Plath, En wéér sla je een zoveelste biografie open over dat blonde, onopvallend ogende meisje dat zo graag perfect wilde zijn.

Dirk Leyman

De glazen stolp van Sylvia Plath, vertaald door René Kurpershoek, is uitgegeven bij De Bezige Bij

Lees meer over Sylvia Plath op Cobra.be.

Ivan Gontsjarov – Oblomov

Oblomov is de vleesgeworden luiheid. Het hoofdpersonage van Ivan Gontsjarovs beroemde roman uit 1859 komt amper uit zijn bed en is meesterlijk bedreven in de kunst van het uitstel. Dirk Leyman nam dit antigif tegen het jachtige leven opnieuw tot zich, tot de sloomheid haast op hem oversloeg.

Een honderdvijftig jaar oude, kloeke roman waarin nauwelijks iets gebeurt, de held meestal tussen de lakens ligt te suffen en de handeling voortdurend ter plaatse trappelt, maar die je toch verwonderd en met veel animo uitleest. Dat is Oblomov van Ivan Gontsjarov (1812-1891). Het boek werd onmiddellijk na verschijning in Rusland erkend als een onvervalst meesterwerk, al lag dat zeker niet aan de sensationele plotontwikkeling. Zelfs de toenmalige minister van Onderwijs Kovalevski omschreef het boek als “een kapitale bijdrage aan de Russische literatuur”: “De held is een van die door de natuur rijkelijk bedeelde, maar zorgeloze en luie naturen, die hun leven doorbrengen zonder nut voor anderen en die er niet in slagen hun eigen geluk te grijpen. De kwaliteiten van het boek liggen in de artistieke uitvoering en de uitdieping van de details“, zo liet hij in een verslag aan de toenmalige tsaar Alexander II weten. Toch waren er ook critici die de roman hekelden omdat het hoofdpersonage Oblomov een slecht voorbeeld voor de jeugd zou betekenen en de Russische volksaard ridiculiseerde. In ieder geval maakte Oblomov school. Zowel in de sociologie als in de literatuurwetenschap is de term Oblomovisme gemunt en kwam hij synoniem te staan voor een “ziekelijk onvermogen tot handelen”. Of om Karel van het Reve te citeren in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur (1985): “Oblomov voelt een grote weerzin als van hem verwacht wordt zich druk te maken over de dingen waar iedereen zich druk over maakt.” Arbeid, carrière, rijkdom en aanzien: Oblomov haalt er sierlijk de neus voor op.

Poëzie der vadsigheid

In Gontsjarovs roman wordt de luiheid dan ook gecelebreerd alsof het een eredienst is. De apathie komt er in al zijn verschijningen tot wasdom: slome dagdromerij, vage plannenmakerij die op niets uitdraait, depressieve stemmingen, smoezen om te kunnen indommelen én bijna genetisch bepaalde indolentie. Nee, de geestestoestand van het lome hoofdpersonage – een vertegenwoordiger van de kleine landadel die zijn bestaan maar niet op orde krijgt en intussen have en goed dreigt te verliezen – is bij momenten raadselachtig inert. Zodanig dat sommigen de roman omschrijven als “een ziektegeschiedenis waarbij elke diagnose angstvallig wordt vermeden” zoals Melchior de Wolff ooit deed in de Volkskrant. Maar vertaler Arthur Langeveld merkt in zijn nawoord bij de Nederlandse heruitgave terecht op dat men er ook “het verhaal in kan lezen van een klasse, de kleine landadel, die de aansluiting met de moderne tijd mist, verarmt en afglijdt op de sociale ladder.” Oblomov is “de hoogste uitdrukking van de poëzie der vadsigheid”, zo drukte Prins Kropotkin het dan weer uit. Lezers van toen verkneukelden zich over de schande die Oblomov over zichzelf afriep. En dat was voor veel Russen een feest van herkenning, toen en nu.

meer lezen …

Albert Camus – De vreemdeling

Filosoof van de onverschilligheid of wanhopig humanist? Albert Camus dubde voortdurend over de absurditeit van het bestaan. In zijn klassieker De vreemdeling overheerst een onthecht soort nihilisme. De stijl is kaal en ongepolijst. Toch blijft het boek een bittere leeservaring, vindt recyclezer Dirk Leyman.

Er is veel dat kan bijdragen tot mythevorming. Maar wanneer je als beroemd schrijver-filosoof en existentialistisch icoon om het leven komt bij een dom auto-ongeluk, amper drie jaar nadat je de Nobelprijs Literatuur hebt gekregen, ja, dan is het hek helemaal van de dam. Op 4 januari 1960 was het lot Camus niet welgezind. In nooit opgehelderde omstandigheden belandde de Facel Vega van zijn vriend Michel Gallimard aan hoge snelheid tegen een plataan op de Route Nationale 5, ten zuiden van Fontainebleau. Passagier Camus was op slag dood. Ironisch detail: aanvankelijk zou Camus met de trein terugkeren naar Parijs, reis waarvoor hij al het spoorbiljet op zak had. Op het laatste nippertje vervoegde hij zich bij zijn boezemvriend. Bovendien had hij in diverse geschriften meermaals gealludeerd op de absurditeit van een dodelijk auto-ongeval.

Absurdistische kijk op het leven

Intellectueel Frankrijk bleef in shock achter en in de jaren zestig en zeventig laaide de belangstelling voor zijn leven pas helemaal hoog op. Toen ontdekte men ook dat Camus – met zijn Humphrey Bogartlook, eeuwige Gauloise in de mondhoek en in regenjas verschanste opgetrokken schouders – een moedig intellectueel was. Een man die, ondanks zijn contradicties en zijn absurdistische visie op het leven, toch ook het engagement predikte. Net omdat het leven zinloos was en zelfmoord het enige ‘filosofisch probleem’, konden we ons maar beter gracieus verzetten tegen onrechtvaardigheid en ideologische scherpslijpers die tot uitwassen aanleiding geven: “Het is beter rechtop te sterven dan op de knieën te leven”, zo vond Camus. Het leven is wel degelijk waard om geleefd te worden. Dat er een schisma ontstond met Jean-Paul Sartre over het communisme, waarvan hij in De mens in opstand (1951) de humanitaire schaamlapjes én gewelddadige trekjes had gehekeld, verbaast niet helemaal. Frankrijk worstelt – nu, bij de honderdste geboortedag van de schrijver – nog steeds met de nalatenschap van Camus, zo bewijzen de vele speciale nummers van magazines, waar pro en contra deskundig wordt afgewogen. En dat Camus nooit de onafhankelijkheid van zijn geboorteland Algerije verdedigde tijdens de burgeroorlog, is hem in sommige kringen flink kwalijk genomen.
meer lezen …

TAGS:

Cees Nooteboom – Rituelen

Pas met zijn derde roman Rituelen (1980) groeide Cees Nooteboom uit tot een internationaal veelgelezen schrijver. Waarin schuilt de bekoring van deze diep filosofische roman met een ontheemd hoofdpersonage die “het leven als een vreemde club beschouwt waar je bij toeval lid van werd”? Dirk Leyman liet zich opnieuw meevoeren door Nootebooms timbre.

Door Dirk Leyman

“Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil”. Het moet ongeveer de beroemdste zin zijn uit het oeuvre van de tachtigjarige Cees Nooteboom, losgezongen tot een aforisme dat te pas en te onpas wordt geciteerd. Ze staat te lezen in de ronduit briljante openingsalinea van de roman Rituelen (1980). De willekeur van de herinnering, de ongrijpbaarheid van het verleden: het zijn dan ook de kernthema’s van Nootebooms oeuvre. Rituelen begint trouwens met een memorabele frase: “Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde, stonden de aandelen van Philips 149,60.”

Het is een alinea die je meteen op je qui-vive zet en je inpalmt door zijn precisie en de boude verwachtingen die ze opwekt. Inni Wintrop herinnert zich vervolgens “dat hij zich had opgehangen in zijn wc omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had dat zijn vrouw ervandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen.”

Wat is hier allemaal aan de hand? En hoe moet het verder met deze Inni Wintrop na zijn (mislukte) zelfmoordpoging en de verlating door echtgenote Zita, hij die zichzelf omschrijft als ‘een gat’, “een afwezige, iemand die niet bestond”? Een soort dilettant én kameleon, zo voelt dit hoofdpersonage zich regelmatig, “iemand die ingevuld kon worden compleet met houding en accent, het was hem om het even.” Is Rituelen een zweverig boek? Nee, maar ceremonieën – zoals de Japanse theeceremonie, oosterse mystieke rituelen, de rooms-katholieke mis of de geplogendheden bij de geldhandel – spelen er een aanzienlijke rol in. En verder heeft Nooteboom in Rituelen zijn thema van het verglijden van de tijd en het vergeefse ordenen van herinneringen geperfectioneerd. Net als dat eeuwige spanningsveld tussen ‘schijn en wezen’, een stokpaardje dat hij ook in zijn talloze reisverhalen op magistrale wijze berijdt. Zo evolueerde dit oeuvre – om de woorden van Harry Mulisch te citeren – tot “een groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen, waardoor onderling voeling wordt gehouden en geheimzinnige berichten heen en weer worden gezonden.”

‘De eerste kritiek vergeet je niet’

Rituelen – bekroond met de F. Bordewijkprijs – betekende in 1980 een bijna schoorvoetende terugkeer naar het romangenre, nadat Nooteboom zich zeventien jaar lang had toegelegd op dichtbundels, reisverslagen en journalistiek voor onder meer Elsevier, de Volkskrant en het glossy magazine  Avenue. Met Philip en de anderen (1955) en De ridder is gestorven (1963) had hij zijn visitekaartjes als romancier al afgeleverd. “Toen mijn Rituelen verscheen, na een periode van zeventien jaar zonder fictie, was de allereerste kritiek er een van ene mijnheer Mulder in NRC. Die schreef: dit boek is helemaal niks, flauwekul”, zo vertelde Nooteboom onlangs in een interview in De Morgen. “Het boek is uiteindelijk in vele talen vertaald en werd, laten we wel wezen, hier en daar toch een groot succes. Maar die eerste kritiek vergeet je niet. Al zei Mulisch daar ooit over: “Na verloop van tijd zijn er nog twee die het weten: dat ben jij en hij.” (lacht) Dat vond ik wel een goeie.”

Met Rituelen forceerde Nooteboom de poort naar het buitenland. Nadat het boek de Mobil Oil Pegasus Prize for Literature (1982) verwierf, kwam er een stroom van vertalingen op gang. In die zin is het boek een mijlpaal. En het is makkelijk te begrijpen hoe Rituelen tot een klassieker kon uitgroeien, al is het een veelgelaagde, complex geconstrueerde roman en heeft de roman voor scholieren – bij wie het in Nederland vaak op de leeslijst prijkt – soms de allure van een struikelsteen.

Nooteboom husselt met de chronologie en verbeeldt in Rituelen drie periodes uit het leven van Inni Wintrop: 1963, 1953 en 1973, wat hem meteen ook verleidt tot tijdsbeelden vol treffende observaties die meer dan zomaar als decorum fungeren. Het is een bijna afstandelijke, licht melancholieke kijk op roerige gebeurtenissen, hoe terloops ze soms ook worden aangestipt: de dood van Kennedy, het turbulente Amsterdam…. Nooteboom jongleert met de geschiedenis, iets waar ook Annemarie Musschoot op wijst in het juryverslag bij de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in 2009: “Elementen die terugkeren in de geschiedenis, al dan niet in gewijzigde vorm: Nooteboom noemde het ‘het rijmen van de geschiedenis.’

Bochtig traject van rituele hindernissen

Inni is een diffuus en ontheemd personage die teert op een erfenis en zijn kostje verder verdient met schimmige geldhandel, schilderijenverkoop en het schrijven van horoscopen. “Hij beschouwde het leven als een wat vreemde club waar hij bij toeval lid van geworden was en waaruit men zonder opgaaf van redenen geroyeerd kon worden. Hij had al besloten die club te verlaten als de vergadering erg vervelend zou worden.” Onmiskenbaar krijgt Inni een paar trekken van Nooteboom zelf mee – ook hij werd van school gestuurd. Nooteboom gaf dat autobiografische aspect trouwens toe in een interview met de Volkskrant uit 2003 met Arjan Peters: “Het gaat over wat het is als je zo vanaf je achtste geen vader meer hebt.” Vooral de tijd is een onvatbaar verschijnsel in Rituelen. Zo ervaart Inni het verleden als “een ondeelbaar massief voorwerp, een gerecht met maar één smaak, een amorfe massa.”

Inni maakt in 1953 via zijn tante Thérèse kennis met Arnold Taads, een man die dieren hoger acht dan mensen en zich met beredeneerde koelheid uit de wereld terugtrekt. Arnolds’ leven is op bijna militaristische wijze gestuurd door de klok. Om in een Alpendal – waar hij steeds gaat skieën – tenslotte op zijn vernietiging af te stevenen. Twintig jaar later komt Inni ook in aanraking met diens zoon Philip Taads, terwijl hij voor een etalage naar een raku-kom staat turen. Die doet er qua onthechting nog een flinke schep bovenop. Philip Taads levert zich over aan meditatie en is gegrepen is door het taoïsme. Toch blijft Inni gefascineerd door zijn ceremoniële drang. Het culmineert in een in ijselijke stilte uitgevoerde theeceremonie, “een lang bochtig traject rituele hindernissen”. De zelfmoord is onvermijdelijk.

Gratuite seks

Ook Inni heeft nood aan rituelen: zijn eerste glas whisky is een bepalend moment, “het handvat aan het luik dat opgetild moest worden voor de grote afdaling in de schimmenwereld.” Jaap Goedegebuure noemt in een essay de whisky Nootebooms koekje van Madeleine, een “openlijk huldebetoon aan Marcel Proust”. De ontmoetingen met vader en zoon Taads zetten Inni aan tot een zoektocht naar de zin van zijn bestaan. Maar Inni is gegrepen door relativisme en stuit telkens weer op een zekere betekenisloosheid. Wanneer hij 45 jaar wordt, stelt hij vast dat hij “de grens naar het vreselijke overschreden had zonder dat iemand hem ooit om een paspoort gevraagd had.” Inni zoekt vooral zijn heil in gratuite seks en veel vrouwen (met namen als Petra, Lyda, Duifje en zijn echtgenote Zita, ‘de prinses van Namibië’, die hem verlaat voor een Italiaanse fotograaf): “De nieuwe liefde was het crematorium van de oude.”

Ergens verbeeldt Nooteboom misschien ook het crisisgevoel van begin jaren tachtig van een zich overal misplaatst voelend individu. Het leven als een probeersel, waar men zich niet te zeer mag aan vastklampen. Of zoals Philip Taads het omschrijft: “Het einde der tijden was nabij en hij dacht niet dat dat erg was. De zondvloed moest niet na je komen, die moest je meemaken.” Wat zich overigens ook veruiterlijkt in Inni’s wisselende stemmingen, van extase tot diepe depressies.

Gruwelijk én grappig

Deze roman is gezegend met een existentialistische lading die er soms te dik op ligt. Tegenstanders van de al te geëtaleerde diepzinnigheid van Nooteboom komen hier onmiskenbaar aan hun trekken en vinden wellicht stof genoeg om hem te tackelen. Rituelen leest als een soms absurdistische, rijk geschakeerde zoektocht naar zingeving, zonder klefheid maar vol meanderende zinnen en bijna pasklare aforismen – je wil voortdurend van alles aanstrepen.

En toch: ondanks de loden zwaarte van de Taadsen en die alomtegenwoordige doodsdrift, behoudt Nooteboom een zekere luchthartigheid, een je ne sais quoi waar hij alleen zo gracieus kan mee omspringen. Gruwelijk en grappig tegelijk, zoals A.S. Byatt in haar voorwoord tot een recente heruitgave noteert. Dat vond ook recensent Alfred Kossmann destijds in zijn recensie in Het Vaderland. Op de vraag of het mogelijk is een aardige en opwekkende roman te schrijven over zelfvernietiging, antwoordde hij met ‘ja’ – dankzij Nooteboom. Nee, Rituelen is geen plotdriven boek. Je kunt je er maar beter aan overleveren, dobberen op het ritme van de elegante, mild ironische zinnen, bereid ook om hinkstapsprongen door de tijd te maken. Jawel: net als een straathond kun je er lang in ronddrentelen, her en der snuffelend, dan weer afgeleid en de draad verliezend of het spoor bijster. Maar uiteindelijk leg je je verzadigd neer.

Dirk Leyman

[Cees Nooteboom, Rituelen, is onlangs heruitgegeven bij De Bezige Bij, met een voorwoord van A.S. Byatt.]

Volgende boek: De vreemdeling van Albert Camus

TAGS:

José Saramago – De stad der blinden

Een stad wordt getroffen door collectieve blindheid. Waarna het vernis van de beschaving snel raakt weggekrast. Recyclezer Dirk Leyman grijpt terug naar ‘De stad der blinden’ van José Saramago en raakt moeiteloos weer in de ban.

Dirk Leyman

Flamboyant en strijdbaar tot de laatste snik, zo staat de Portugese schrijver José Saramago (1922-2010) in de herinnering gegrift. Bovendien was hij een notoir atheïst en levenslang communist, die eerst zijn politieke pijlen richtte op het dictatoriale extreem-rechtse regime van Salazar en later vooral het kapitalisme en de katholieke kerk de mantel uitveegde. Ongetwijfeld is hij onder de Nobelprijswinnaars Literatuur één van diegenen met de meest uitgesproken linkse signatuur (samen met Dario Fo). Vaak snelde zijn engagement zijn schrijverschap vooruit: in de laatste jaren voor zijn dood kwam Saramago soms meer in het nieuws met relletjes dan met zijn geschriften. Zo noemde hij de “bijbel een handboek voor slechte moraal” en ginnegapte hij in zijn stekelige blogs over Berlusconi. Saramago zocht altijd graag de controverse op en wreef zich in de handen wanneer er steekvlammetjes ontstonden.

Een onthutsend en verslavend boek

Portugals bekendste literaire exportproduct na Fernando Pessoa werd op 16 november 1922 geboren in het Portugese dorpje Azinhaga, in een armoedig gezin van dagloners. Zijn jeugd bracht hij door in Lissabon, waar de jonge Saramago in een wijkbibliotheek verknocht raakte aan literatuur. Na onafgewerkte universiteitsstudies ging hij aan de slag als metaalbewerker en in een garage. Zijn eerste roman Land van de zonde verscheen in 1947. Pas 20 jaar later kwam hij met nieuw literair werk: een dichtbundel. Ondertussen werkte Saramago als journalist en vertaler bij een uitgeverij, maar in het Portugese literaire landschap bleef hij volkomen onder de radar, al breidde hij zijn contacten uit. In de jaren zestig, tegen het einde van de Salazar-dictatuur, sloot hij zich bij de illegale communistische partij aan. Na de Anjerrevolutie van 1974 werd Saramago adjunct-hoofdredacteur van de krant Diário de Lisboa, om er verrassend snel de bons te krijgen, in de nasleep van de tweede militaire coup op 25 november 1975. Het bleek een zegen voor de literatuur. Pas daarna ontbrandde Saramago’s schrijverscarrière helemaal, als revanche tegen zoveel onrecht. Saramago beleefde een late doorbraak met romans als Memoriaal van het klooster (1982), Het jaar van de dood van Ricardo Reis (1984), Het stenen vlot (1986) en Het beleg van Lissabon (1989), om nog meer roem te vergaren en schandaal te verwekken met het controversiële Het Evangelie volgens Jezus Christus (1992), dat zijn landgenoten deed steigeren. Waarna hij Portugal de rug toekeerde om zich op de Canarische Eilanden te vestigen. Om er zijn allicht beroemdste roman te schrijven: het later ook verfilmde De stad der blinden (1995), een onthutsend en tegelijk verslavend boek over een epidemie, die een complete stad met blindheid treft.

Afdaling in een apocalyps

Telkens weer schreef Saramago breed uitwaaierende, meditatieve romans, in een krachtige vertelstijl en met filosofisch-historische exploraties over de menselijke natuur. De stad der blinden, zopas heruitgegeven bij Meulenhoff samen met De stad der zienden, is wel eens zijn meest toegankelijke roman genoemd, onder meer door Pieter Steinz. Want het klopt dat Saramago “zijn lezers soms intimideert met extreem lange alinea’s en aan elkaar geschreven dialogen.” Toch lag het in de lijn der dingen dat Saramago in 1998 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. De stad der blinden heeft het Nobelcomité allicht mee over de streep getrokken. De Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes reageerde toen: “Eigenlijk verdient Saramago ook de Nobelprijs voor de vrede”.

Saramago is er vaak tuk op om zijn boeken te beginnen met een ‘what if’-gegeven, het ondenkbare tot de uiterste consequentie doordenkend, “het onwaarschijnlijke werkelijk maken”, zoals zijn vertaler Harrie Lemmens het in een uitgebreid nawoord omschrijft. Wie De stad der blinden openslaat, moet zich voorbereiden op een afdaling in een soort apocalyps, waar zonder pudeur het vernis van de samenleving wordt geschraapt, met soms weerzinwekkende details. Om zo de lezer een soort spiegel voor te houden. Moraliserend? Niet in de strikte, opdringerige zin. “We zijn gewoon niet in staat om het echte leven te ondergaan. Daarvoor is het veel te wreed. Welnu, het is een grote verdienste van literatuur dat ze het echte leven kan uitvergroten, het duidelijker maken”, zo vertelde Saramago in 1998 aan Lode Delputte van De Morgen.

‘Totaal, stralend wit’

Laat alle hoop varen als je je in De stad der blinden begeeft. Zeker wanneer een stad (niet nader geïdentificeerd maar gelijkend op Lissabon) compleet ontwricht wordt door blindheid. Het eerste slachtoffer is een achtendertigjarige man die zijn gezichtsvermogen verliest terwijl hij met zijn auto voor een verkeerslicht staat. Hij wordt naar huis gebracht door getuigen, maar merkwaardig genoeg veroorzaakt zijn blindheid geen zwart vlak op het netvlies. Ze is van een melkachtig wit, “zo’n totaal, zo’n stralend wit dat het eerder verslond dan absorbeerde, en niet alleen de kleuren, nee, alle dingen en levende wezens zelf, waardoor het die dubbel onzichtbaar maakte.” Alsof het licht uitging? Nee, “eerder alsof het licht aanging.” Al spoedig blijkt er sprake van een acute epidemie, een uitdeinende nationale ramp. Want al wie met de man in aanraking is gekomen – waaronder een loensend jongetje, een wulps meisje met een zwarte zonnebril en een ouderling met een zwart lapje voor het oog – ondergaat hetzelfde lot. Ook de geraadpleegde oogarts, die geen afwijking aan het oculair weefsel kon constateren. De regering grijpt in en plaatst de getroffenen aanvankelijk in een quarantaine in een voormalige psychiatrische instelling, waar ze een streng regime ondergaan en door militairen worden bewaakt. Saramago haalt en passant zwaar uit naar de autoriteiten.

Spoedig desintegreert de situatie van de gedoemde blinden en vallen de maskers alom af. De collectieve blindheid zet alles op scherp, het verval treedt in en geleidelijk aan wordt het ieder voor zich: homo homini lupus, à la Thomas Hobbes wordt de ene mens een wolf voor de ander. Wat wil je in een samenleving waar iedereen op de tast rondloopt? Of is er toch ook een spoor van edelmoedigheid? Hoe dan ook: “de ogen ontbreken”, zij die alles onder controle kunnen houden. Ogen zorgen voor verantwoordelijkheidsbesef én sturen de gevoelens. Nu sputtert de samenleving, werken waterleidingen niet meer, raken toiletten verstopt. De stank wordt onhoudbaar en het voedsel raakt op. Het leidt tot ontluisterende en boosaardige taferelen in de stad, door Saramago in krachtige bewoordingen neergezet. Vuil, honger en dorst, uitwerpselen en pestilente stank wasemen uit de pagina’s op, zo plastisch beschreven dat je soms een wasknijper nodig denkt te hebben. Plunderingen in de ontaarde stad, mensen die dieren opvreten en doelloos ronddwalen, vernederde vrouwen, ontheemde kinderen: een burgeroorlog lijkt niet veraf. Saramago spaart de lezer geen details. Het allegorische karakter van De stad der blinden wordt nog versterkt door de naamloosheid van de personages: “Mijn personages hebben geen namen meer. Je kunt ze vergelijken met de gevangenis in Hitlers concentratiekampen, die ter identificatie een nummer op hun arm getatoeëerd kregen”, vertelde hij in datzelfde interview met De Morgen.

Felle ironie

En dan is er de enige ziende in het land der blinden: de vrouw van de oogarts, die op miraculeuze manier aan de epidemie ontsnapt. Zij simuleert blindheid om haar man te kunnen blijven helpen in de kliniek. Ze is diegene die de menselijkheid willens nillens poogt te vrijwaren, ze “fungeert niet alleen letterlijk als oog, maar ook als bewaker van de morele waarden”, zoals Ilse Marrevee het in Trouw ooit omschreef. Saramago noteert over haar pogingen tot waardigheid: “Als we niet helemaal als mensen kunnen leven, laten we dan tenminste alles doen om niet helemaal als beesten te leven, zo vaak zei ze dat, dat de rest van de zaal die in wezen simpele en elementaire woorden tenslotte verhief tot een maxime, een sententie, een doctrine, een levensregel.”

De stijl van dit boek is hecht, condens en soms benauwend. Maar toch valt de soepele leesbaarheid op, ondanks de volgestouwde pagina’s waar nauwelijks witregels opduiken. Je zit meteen in dit verhaal. Dan weer formuleert Saramago met grote zwier en elegantie, vervolgens maakt hij bruusk vaart, als we switchen tussen verteller en personages. Maar nooit verlies je de draad. En af en toe is er uiteraard die verlossende ironie, vol subtiele ongerijmdheden (bijvoorbeeld blinden laten stemmen bij handopsteking, nou ja, en – erg symbolisch geladen – geblinddoekte heiligenbeelden). Vertaler Harrie Lemmens noemt het “een soort onderkoelde ironie, die fel wordt als hij onrecht of onredelijkheid aan de kaak stelt.”
Er is veel gespeculeerd over de bedoelingen van het tot op de laatste pagina’s spannende boek, waarover Saramago zich steeds in enige raadselen is blijven hullen. Zijn we zelf “ziende blind” voor wat er om ons heen gebeurt? “Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn, Blinden die zien, Blinden die ziende niet zien”, prijkt er op de laatste pagina. Staat blindheid voor collectieve verdwazing? Wil Saramago aantonen hoezeer een samenleving slechts voorzien is van een klein kraslaagje beschaving, dat in een oogwenk kan verdwijnen? Zijn we al bij al ook survivors, al hebben we dan geen fractie toekomst meer? Of, hebt u, als mede-recyclezer, nog meer hypotheses? Zeker is dat De stad der blinden een boek is dat raadsels oplost maar er evenveel vermenigvuldigt.

[José Saramago, De stad der blinden, uitgeverij Meulenhoff, uitgegeven samen met De stad der zienden, 2013, met nawoord van vertaler Harrie Lemmens]

Reageren op deze Recyclezer kan hieronder.

De volgende Recyclezer neemt ‘Rituelen’ van Cees Nooteboom onder de loep.

TAGS:

Kurt Vonnegut – Slachthuis vijf

Humor en sciencefiction als anti-oorlogswapen

Hoe kan een roman over het geallieerde bombardement op de Duitse stad Dresden uitgroeien tot een pamflet tijdens de Vietnamoorlog? Kurt Vonnegut speelde het klaar met Slaughterhouse Five (1969), een boek dat je nog altijd van je sokken blaast én onbedaarlijk doet lachen. Al voelt recyclezer Dirk Leyman zich daar soms schuldig over.

Dirk Leyman

Kun je Kurt Vonnegut (1922-2007) in één literair hokje stoppen? Een schier onmogelijke opdracht. Vaak werd hij in een adem genoemd met Amerikaanse schrijvende generatiegenoten als Philip Roth, Norman Mailer, Saul Bellow of John Updike. Maar zonder twijfel was de auteur van het geruchtmakende Slaughterhouse Five (1969) de meest onorthodoxe van dit gezelschap. En wellicht ook de meest tegendraadse. 

Telkens weer bleken Vonneguts romans doordrenkt van zwarte humor en bevatten ze veel sciencefictionelementen, waarbij hij een diepgaand pessimisme tentoonspreidde én een erg losse structuur en interpunctie hanteerde. Net als Mark Twain was humor Vonneguts wapen om de menselijke existentie te tackelen, schreef de New York Times na zijn overlijden in  2007. Vonneguts debuut verscheen in 1952. In Play Pianola veegde hij de vloer aan met de mores in het bedrijfsleven, met echo’s van Aldous Huxley’s Brave New World. En hij bleef ongerijmde, onvoorspelbare boeken schrijven. Bekend gebleven zijn ook Cat’s Cradle (1963, over het bombardement op Hiroshima en een scheikundige die per abuis al het water op aarde laat bevriezen op kamertemperatuur) of Galapagos (1985, waarbij een groep overlevers van een kernramp de beschaving heropstarten met een computer waarin een miljoen citaten uit de wereldliteratuur liggen gestockeerd). Vonnegut, die regelmatig kampte met diepe depressies, had als voornaamste thema dan ook “the ongoing occupation with the mess humankind was making of the planet”, zoals The Guardian het ooit omschreef. Ook God Bless You, Mr. Rosewater or Pearls before the Swine (1965), Breakfast of Champions (1973) en Timequake (1997), zijn laatste roman, bleven in het Amerikaanse collectieve geheugen haken, al slonk gaandeweg de aandacht voor zijn werk. Zijn laatste non-fictieboek A Man Without a Country uit 2005 werd onverwacht weer een bestseller en hij noemde het “a nice glass of champagne at the end of a life.” In 1984 beging Vonnegut een mislukte zelfmoordpoging. “Zelfmoord was een constante verleiding”, bekende hij, ook zijn moeder sloeg de hand aan zichzelf. Achteraf verklaarde hij dat hij het liefst wou sterven tijdens een vliegtuigcrash op de top van de Kilimanjaro. Vonnegut overleed uiteindelijk aan een hersenletsel, opgelopen na een domme val in zijn New Yorkse appartement.

‘Een toren van rook en vlammen’

Vonnegut is natuurlijk vooral befaamd gebleven door Slaughterhouse Five waarin hij op geheel ongerijmde en originele wijze zijn ervaringen tijdens het geallieerde bombardement op Dresden op 13-14 februari 1945 verwerkte, dat 130.000 mensenlevens kostte. Vonnegut verbleef er als krijgsgevangene in een ondergronds slachthuis en was een van de zeven Amerikanen die het helse bombardement overleefde. Vervolgens hielp hij bij het ruimen van de lijken. “Het bombardement op Dresden was een kunstwerk”, zo schreef Vonnegut, “een toren van rook en vlammen om de woede en het hartverscheuren te herdenken van de zo velen die hun levens vernietigd zagen door de onbeschrijflijke hebzucht, ijdelheid en wreedheid van Duitsland.” Toch werd deze oorlogsmisdaad lange tijd als “een onbeduidend detail” bestempeld door Westerse historici, zo merkte Vonnegut op. Lange tijd zocht hij naar de gepaste vorm om Slaughterhouse Five te kunnen schrijven.

Schunnige taal

De roman groeide onmiddellijk na verschijning in 1969 uit tot een fetisjboek voor de Amerikaanse oppositie tegen de Viëtnamoorlog. Het puilde tijdens de jaren zeventig uit de jaszak van elke zichzelf respecterende student. De schunnige taal en het geweld zorgden er ook voor dat het boek regelmatig werd geweerd uit scholen en bibliotheken. En Vonnegut ridiculiseerde met bijtende satirische woorden het succes van het boek: “Ik heb gezegd dat er slechts één persoon is die beter is geworden van de aanval, die tientallen miljoenen dollars moet hebben gekost”, vertelde Vonnegut in een interview met The Paris Review. “Door de aanval is de oorlog geen halve seconde eerder geëindigd, een Duitse verdedigingsactie of aanval is er niet door verzwakt en geen enkele persoon is erdoor gered uit een vernietigingskamp. Er is maar één persoon die er beter van is geworden – niet twee of vijf of tien. Eén maar. Ik. Ik heb drie dollar gekregen voor iedere persoon die om het leven is gekomen. Moet u zich voorstellen.” Vonnegut kampte niettemin met depressies na het verschijnen van de roman en beweerde een tijdlang dat hij nooit meer zou schrijven.

Maar blijft Slaughterhouse Five overeind bij herlezing, bijna 45 jaar na verschijnen? Ja, grotendeels wel. Toegegeven, de sciencefictionachtige roman is soms behoorlijk grillig en weerbarstig. Vonnegut zet alle chronologische conventies op zijn kop. Toch heeft het sarcasme weinig aan scherpte ingeboet, net als de humor. Geen wonder dat veel auteurs – van Douglas Adams, John Irving en Haruki Murakami en bij ons Renate Dorrestein en youngsters Maartje Wortel – zich schatplichtig verklaren aan Vonnegut.

Gekidnapt door gootsteenontstoppers

Na een wat warrige intro, waarin de auteur prakkezeert over de totstandkoming van het boek, introduceert Vonnegut in de roman zijn hoofdpersoon Billy Pilgrim. Pilgrim, een soort alter ego van Vonnegut, wordt als hulppredikant naar het WO II-front gestuurd, om er spoedig krijgsgevangen te worden genomen. Om vervolgens in het Duitse Dresden te belanden, een ooit elegante stad die schijnbaar buiten de Tweede Wereldoorlog kan blijven. Tot het fatale  ‘carpet bombing’ van de Geallieerden volgt, op het moment dat het Duitse rijk al op instorten staat.

Na de oorlog lijkt Pilgrim in de greep te komen van een gekte, althans dat vindt ook zijn dochter Barbara. Maar je kunt het evengoed een vorm van luciditeit noemen. Pilgrim weet nooit precies welk deel van zijn voorbije of komende leven hij voorgeschoteld zal krijgen. En ook de lezer wordt ontvoerd in deze tijdscapsule. “Billy PilIgrim is een tijds-spasticus, hij heeft geen enkele macht over waar hij heen gaat en zijn uitstapjes zijn lang niet altijd plezierig.” Hij kan immers ook achterhalen hoe hij aan zijn einde zal komen.

Allemaal het gevolg van Pilgrims kidnapping door aliens, de Tralfamadorianen, die hem tentoonstellen in een soort ‘menselijke zoo’ op hun planeet, onder “een geodetische koepel”. De Tralfamodorianen, die het uiterlijk van gootsteenontstoppers hebben, zien alles in vier dimensies: ze hanteren een totaal ander concept van de tijd: elk moment, zij het in het verleden, heden of toekomst, heeft voor hen altijd bestaan, en zal altijd terug opduiken. Daardoor speelt dood geen rol, omdat ze ook in het verleden nog in leven zijn. Als iemand doodgaat, lijkt het niet echt. “Hij is springlevend in het verleden, dus het is bepaald onnodig om te huilen bij zijn begrafenis.” Net dat maakt Pilgrims oorlogservaringen ook draaglijk. De Tralfamodianen dragen hem op “de afschuwelijke perioden te negeren en zich te concentreren op de mooie.” Pilgrim is de eersterangsgetuige van de oorlogsgruwel, afkomstig van een planeet “waar men zich sinds mensenheugenis bezighoudt met zinloze slachtpartijen”. Hij aanvaardt ze nu met een zekere innerlijke rust. “Zo gaat dat” is dan ook de fatalistische baseline, honderd en zes keer herhaald. Het mantra zong door vele anti-Viëtnambetogingen.

Lapmiddeltje tegen oorlogstrauma’s

De absurditeiten stapelen elkaar op in *Slaughterhouse Five of de Kinderkruistocht* (zoals in feite de volledige titel luidt). Zo wordt er ook een Amerikaanse soldaat doodgeschoten omdat hij kort na het bombardement een theepot heeft gestolen uit de catacomben. Het gaat van de hak op de tak en Vonnegut brengt het allemaal met een uitgestreken gezicht, vol onverwachte plotwendingen én met een zekere distantie. Hij bespeelt alle registers. En uiteindelijk begrijp je waarom dit boek tot zo’n virulent anti-oorlogspamflet is kunnen uitgroeien. “Het laat zien welke sporen oorlogen nalaten in de levens van jonge soldaten en hoe zij worstelen met ’overlevings-schuld’. Hoe moet je verder, hoe kun je nog betekenis aan het leven geven, na oorlogservaringen zoals die van Billy Pilgrim? Danzij Vonnegut durf ik grappig schrijven over zware onderwerpen”, zegt bijvoorbeeld Renate Dorrestein over de roman.

Vonneguts boodschap sloeg ten tijde van de Viëtnamoorlog volop aan. Zijn vreemde sciencefictionremedie om tergende herinneringen draaglijk te maken én de zinloosheid aan de kaak te stellen, werkt binnen het bestek van deze roman wonderwel. Al merk je aan Vonneguts eigen gehavende levensloop dat het finaal slechts een lapmiddeltje was tegen oorlogstrauma’s. 

Ongetwijfeld zullen lezers die een hekel hebben aan oorlogsepistels na dit gedenkwaardige boek hun mening moeten herzien. Hetzelfde geldt voor sciencefictionhaters. Benieuwd of u daar ook bijhoort?

Dirk Leyman

[Kurt Vonnegut, Slachthuis vijf, uitgeverij Meulenhoff, vertaling Else Hoog]

In de volgende editie van de Recyclezer lezen we ‘De stad der blinden’ van Nobelprijswinnaar José Saramago.

Reageren op deze Recyclezer kan hieronder, graag zelfs!

TAGS:

Louis Couperus – Eline Vere

Met zijn debuutroman Eline Vere (1889) gooide Louis Couperus meteen hoge ogen. De neergang van een narcistische Haagse societydame is gevat in een weelderige, archaïsche taal, die nu toch veel doorzettingsvermogen vereist, vindt recyclezer Dirk Leyman.

“Zoo ik iets bén, ben ik een Hagenaar”. De uitspraak heeft Louis Couperus (1863-1923) zijn hele leven achtervolgd. En ook nu is het Den Haag waar de festiviteiten rond zijn 150ste geboortedag het hevigst oplaaien. Met Couperuswandelingen, diners, apps, theatervoorstellingen en exposities wordt de Nederlandse vaandeldrager van het literaire decadentisme en naturalisme er uitbundig gefêteerd. Couperus bracht zijn jeugdjaren dan ook grotendeels door in Den Haag, waar hij de jongste telg was uit een welgesteld gezin van koloniale ambtenaren. In dat milieu werd de stijfheid van het protocol nog streng in acht genomen. Deze overbeschermde wereld doordrenkte de ziel van de uiterst sensitieve Couperus.

Maar ondanks die status van opper-Hagenaar onderhield Couperus altijd een wat getroebleerde verhouding met de stad. De verfijnde dandy en estheet was een man ‘die zich kriebelig voelde worden als hij lang toefde in Den Haag’, zo schreef hij. Precies daarom betitelde de reislustige Couperus zichzelf later als de ‘Vliegende Hagenaar’ en ‘de ontrouwe zoon der Ooievaarsstad’: altijd was er die drang om de stad te ontvluchten. Dat hij zes van zijn jonge jaren doorbracht in Nederlands-Indië, tekende hem voorgoed. Later zal hij vijftien jaar in het Zuiden wonen, in Nice en Rome, om dan weer met enig dedain neer te strijken in Den Haag, waar hij het salonleven met geamuseerde bewondering bleef monsteren. Toch keerde hij wel degelijk terug uit heimwee en cultiveerde hij een grote liefde voor het Haagse straatbeeld, met een voorkeur voor de Archipelbuurt en het Willemspark. Hoe diep zijn fascinatie zat voor zijn geboortestad bewijst het feit, schrijft Couperusspecialiste Caroline de Westenholz in José Buschmanns Haagse wandelgids uit 1996, “dat hij deze zo beperkte ‘Haagse kringen’ tot archetypen maakt voor de mensheid in het algemeen.”

Die opmerking geldt zonder meer voor zijn memorabele debuut, de zedenroman Eline Vere (1889), waarin hij de Haagse burgerij aan het eind van de negentiende eeuw in al haar finesses evoceerde. Nadat Couperus voor zijn poëziedebuut nogal wat kritiek moest incasseren en als een gekunstelde rijmelaar werd weggezet (Willem Kloos omschreef zijn gedichten als ‘absoluut literaire rommel’) nam hij revanche met Eline Vere, dat al snel klassieke status verwierf en uitgroeide tot zijn best verkopende roman.

Couperus schreef Eline Vere – zo bekende hij later – “in een bui van het kan-me-niet-bommen”. Het was zijn bedoeling “om eens een langen roman te schrijven […] voor het grote publiek, en dien de jonge meisjes, waarmeê ik flirtte, aardig zouden vinden!” Het boek verscheen eerst als feuilleton in de krant Het Vaderland, vandaar ook de scenische opbouw, waarbij Couperus oog had voor de spanningsopbouw en tal van subtiele vooruitwijzingen in zijn tableaus inbouwde. De inspiratie voor dat procedé putte hij uit ‘Oorlog en Vrede’ en ‘Anna Karenina’ van Lev Tolstoj. Maar ook het psychologische realisme van Henry James en Emile Zola’s determinisme schraagden deze roman.


Den Haag als glazen stolp

Eline Vere kun je bijna ‘de verpersoonlijking van Den Haag’ noemen, al stevent ze in de stad dan onafwendbaar haar noodlot tegemoet. Niet voor niets is de ondertitel ‘Een Haagsche roman’. Wanneer de narcistische freule na het overlijden van haar ouders intrekt bij haar zuster Betsy en haar man Henk, leidt ze in eerste instantie een schijnbaar wuft maar leeg bestaan. Ze lijkt perfect te passen in die Haagse wereld van ruisende japonnen, exquise soirées, diners, theekransjes en talloze visites aan Scheveningse Kurhaus. Ze dweept met de opera’s van Charles Gounod en met de operazanger Fabrice. Maar tegelijk is het alsof ze binnen een glazen stolp voortbeweegt, waarin ze uiteindelijk verstikt: in feite speelt de roman zich dan ook vooral ‘binnenskamers’ af. “Deze kleine fysieke speelruimte is symbolisch voor het beperkte geestelijke wereldje waarin de Haagse beau monde zich beweegt”, noteert H.T.M. Van Vliet in zijn uiterst deskundige nawoord bij de heruitgave van ‘Eline Vere’.

Met haar eindeloze bespiegelingen en dromerijen (“den nevel harer tobberigheid”) zingt Eline zich steeds verder van de realiteit los. En wanneer die af en toe haar klauwen uitsteekt, overheerst teleurstelling en tristesse of spookt er melancholie en angst door haar geest. Ze beschouwt haar omgeving als benauwend en van een grote geborneerdheid. Eline’s geest is vervuld van romantische schwärmerei, gevoed door het lezen van wat we nu misschien wel chicklit zouden noemen. Uiteindelijk heeft ze het gevoel dat ze niet kan tornen aan haar lotsbestemming – de doem van haar milieu, van haar karakter en van haar getergde zenuwen. Ongrijpbare krachten richten haar ten gronde. “Eline wist, dat er niets aan haar te veranderen was; zij was steeds, willoos, van een hellend vlak gedaald, zij was steeds naar omlaag geduwd, en hoewel zij de afgrond had zien gapen, had zij nooit omhoog kunnen stijgen”, staat er te lezen.

Tragische zelfkwelling

Wanneer Eline zich verlooft met de brave Otto, die het beste met haar voor heeft én eerst een geschikte huwelijkskandidaat wordt bevonden, is haar ja-woord vervuld van ambivalentie. Tot ze – na een nochtans gelukkig intermezzo – als eeuwig grillig schepsel de bruggen opblaast. Het is haar neef Vincent, ook al een zenuwlijder en ongeneeslijk melancholicus, die haar meer kan behagen. Hij veroorzaakt schisma’s in de huiselijke kring. Couperus laat zijn heldin vervolgens ook soelaas en rust zoeken bij familie in Brussel (maar ook daar heerst de leegheid in de mondaine kringen). Eline verzeilt nog in een soort romance met de Amerikaan Lawrence St. Clare, die – ondanks zijn sterke persoonlijkheid – haar niet meer kan ‘redden’. Dan is haar depressieve toestand al onomkeerbaar en haar tragische zelfkwelling in een slotfase. Haar eenzaamheid, te midden de mensen, voelt als een wurgtouw. Intussen is ze verslaafd aan morfine, die een arts in Brussel haar heeft voorgeschreven. Het medicijn zal het instrument worden van Eline’s zelf geregisseerde dood met druppels. “De dood was zoo zwart, zoo leêg, zoo onzegbaar! Maar toch, als het zoo was? En eensklaps versmolt hare vrees in een onmetelijke rust.”

Eline Vere is een typische Couperus-heldin, zo noteerde Iris Pronk onlangs in Trouw: “Het wemelt van de nerveuze, intelligente, meestal tengere en lelieblanke vrouwen in het werk van Couperus, zoals zijn beroemde heldin Eline Vere. Vrouwen die bij mannen een hoogstaande, platonische liefde opwekken; geen vuige lust.” En Christophe Vekeman concludeerde in een recent Couperus-portret in De Morgen al even raak: “Terwijl Emma Bovary en Anna Karenina ten onder gaan aan het leven, gaat Eline ten onder aan zichzelf.” Couperus-kenner H.T.M. Van Vliet wijst erop dat Couperus werkelijk vooruitstrevend was qua psychologische diepgang, “zeker als men bedenkt dat aan het einde van de negentiende eeuw de menswetenschappen, met name de psychiatrie, nog in de kinderschoenen stond.” Bovendien was Couperus amper vijfentwintig jaar toen hij zijn huzarenstuk tot een goed einde bracht.


Geestesvibraties en uitweidingen

Toch vergt het anno 2013 veel zitvlees en doorzettingsvermogen om Eline Vere zonder leesletsels tot een goed einde te brengen. Ooit werd dit lijvige boek gepercipieerd als een ‘moderne’ roman, uiterst invoelend in de personages. En dat is zeker niet gelogen. Maar Couperus was niet vies van ellenlange uitweidingen. De optocht van personages die zich in de Haagse coterieën ophouden, is op de duur van het goede teveel, net als de detaillering van de interieurs en hun geestesvibraties. Hij lepelt ons niet enkel het gevoelsleven van Eline op, maar ook wijd en zijd dat van andere jonge vrouwen in de burgerkringen, met namen als Frédérique, Lili, Marie, Catoun en Ange. De opgesierde frases wentelen soms als een rusteloze rivier onder hoge stroom. Tegelijk raak je vaak behoorlijk gestremd tijdens het lezen. Wat met de “zelfverzonnen woorden als “verkalmen, verfurieën, opsomberen, wazigen, gevoeling en welweting”, vraagt Iris Pronk zich af, om van de talloze Franse woorden (“regretteren”) nog maar te zwijgen? Nu ja, Frans was natuurlijk de voertaal in de Haagse beau-monde. Neerlandici zijn overigens nog altijd zoet met het bestuderen van Couperus’ woordenpracht en taaltechniek: zijn voorliefde voor interpunctie – komma’s, streepjes, suggestieve puntjes en zelfs lijnen – , de door elkaar gehusselde en daardoor soms plechtstatige zinsbouw, de samengestelde woorden. In De Standaard bracht recensent Mark Cloostermans onlangs dan ook een onontkoombare kwestie te berde: de snelle afstand die groeit tussen Couperus en de hedendaagse lezer, vanwege zijn archaïsche en complexe taalgebruik. En hij citeerde neerlandicus Gé Vaartjes: “De afstand tussen Couperus en jonge lezers wordt ‘met zevenmijlslaarzen’ groter.” Net als bij auteurs als pakweg Karel van de Woestijne vervreemdt de hedendaagse lezer in ijltempo van dit proza. “Toch is het duidelijk dat toekomstige heruitgaven van Couperus een batterij voetnoten kunnen gebruiken. De vraag is of ook de uitgevers daarin willen investeren”, concludeerde Cloostermans. Aan de heruitgave bij LJ Veen is in ieder geval een zeer verhelderend nawoord toegevoegd. Dat is al dat. Maar wij willen wel ‘ns weten of jij diezelfde ervaring had: regelmatig achter de oren krabben bij zoveel taalkunstmatigheid? Of is Couperus lezen toch nog steeds een exquis esthetisch genoegen?

Dirk Leyman

Er is zojuist een heruitgave verschenen: Louis Couperus, Eline Vere, LJ Veen Uitgeverij, 565 pagina’s, 15 euro, met nawoord van HTM Van Vliet.

Zie ook het dossier van Johan De Haes over  150 jaar Couperus op Cobra.be

U kunt hier onder zelf uw mening kwijt over Eline Vere. Dan maakt u kans om een volgende klassieker uit de literatuur te winnen.

The Great Gatsby – F.Scott Fitzgerald

Regisseur van weelde en ondergang

In The Great Gatsby doorprikte F. Scott Fitzgerald met zwier de bubbel van  de American Dream, in een noodlottig verhaal over de eenrichtingsliefde van een nouveau riche. Nog steeds een sublieme leeservaring vol changing moods, vindt recyclezer Dirk Leyman. En daar kan geen verfilming tegenop.

Hebt u nog geen Great Gatsby-indigestie? Niet denkbeeldig, nu elk gerespecteerd medium zich uitput om in klank, beeld en woord de verloren Jazz Age van Scott Fitzgerald (1896-1940) weer tot leven te wekken. You name it, you got it. Modereportages in somptueuze decors, waarin de flappers met bobkapsels en sport jocks opnieuw furore mogen maken. Excursies naar Fitzgerald-locaties op Long Island of aan de Rivièra. Cocktailparty’s geïnspireerd op de feesten van de mysterieuze miljonair Jay Gatsby. “Mondain, mijn God, wat ben ik mondain”…. het is niet voor niets de kreet van de lichtzinnige Daisy in The Great Gatsby (1925).

De Fitzgerald-industrie draait op volle toeren, zeker sinds de rechten op zijn oeuvre tot het publieke domein behoren. De trammelant rond de bioscoopverfilming van Baz Luhrmann heeft nog extra kolen op het vuur geworpen. De niet al te laaiend ontvangen interpretatie, met Leonardo Di Caprio en Carey Mulligan in de hoofdrollen, kiest resoluut voor spektakel en kostumering.

The Great Gatsby lijkt inderdaad volkomen losgezongen van zijn schepper Francis Scott Key Fitzgerald, die met deze emblematische roman over the rise and fall of the American Dream zijn literaire hemel verdiende. Het hoogst ambigue boek is steeds weer gelezen als een kroniek van gefnuikte ambities én gedwarsboomde, tot mislukken gedoemde liefde. Eerst zijn er de tomeloze verwachtingen waarmee naar de sterren wordt gegrepen. Dan is er dat excessieve hedonisme, uitmondend in glamoureuze feesten vol parvenu’s. Intussen komen er meer krassen op het vernis. Tot het bouwwerk aan diggelen valt en de Grote Depressie zich opdringt.

De grillen van het interbellum

Natuurlijk heeft ook de roerige levenswandel van Fitzgerald bijgedragen tot de Gatsby-mythe. De parallellen zijn legio. Fitzgeralds van naald tot draad uitgeplozen biografie leest immers als een opwindende roman met tragische afloop. De wat weke jongeman uit Minnesota, die in Princeton afstudeerde, kon nooit weerstaan aan de bekoringen van het societybestaan, eerst in New York, dan in Parijs en aan de Rivièra en tenslotte terug in de Verenigde Staten. “De Jazz Tijd maakte hem bekend, streelde hem en verschafte hem meer geld dan waarvan hij ooit gedroomd had, eenvoudig omdat hij de mannen vertelde dat hij net zo voelde en dacht als zij, dat er iets gedaan moest worden met alle nerveuze energie die opgeslagen en onverbruikt was tijdens de Oorlog”, schreef Fitzgerald schamper over zichzelf in Echo’s uit de Jazztijd. Zijn turbulente en destructieve relatie met de labiele Zelda was algauw wekelijks voer voor de roddelpers. Fitzgeralds drankzucht nam intussen buitensporige afmetingen aan. Bij nader inzien gold hij als “de vleesgeworden sociaal-economische barometer”, zoals Auke Hulst onlangs in NRC pertinent opmerkte. “Weinig schrijvers volgden, in carrière en persoonlijk leven, zo feilloos de grillen van het interbellum.”

Nadat Fitzgerald in de jaren twintig de Amerikaanse literatuur flamboyant beheerste, raakte hij in de jaren dertig, na het zwakke onthaal van Tender is the Night (1934), op zijn retour. Bijna berooid moest Fitzgerald zich staande houden met kortverhalen en scenario’s voor Hollywood. Hij was toen al “een gebarsten bord”, gesloopt door het leven: in 1940 stierf hij op 44–jarige leeftijd aan een hartaanval. Zijn begrafenis werd maar door een handjevol mensen bijgewoond.

Ijkpunt

Spoedig na zijn dood kreeg Fitzgerald de klassieke status opgespeld, als “eloquente stem van de Lost Generation”, zoals het in een overlijdensbericht stond. Met dank aan The Great Gatsby, dat moeiteloos nieuwe generaties bezielde (al kreeg de roman aanvankelijk een wisselend onthaal). Toch had Gertrude Stein het al bij leven voorspeld: “Fitzgerald zal gelezen worden als veel van zijn tijdgenoten gestorven zullen zijn.” Talloos zijn de schrijvers die hem op handen dragen.  Haruki Murakami, die Fitzgerald naar het Japans vertaalde, beweerde in een essay dat hij zonder de Amerikaan nooit het soort literatuur had geschreven dat hem voor ogen stond, ja, “dat hij zelfs misschien niet eens schrijver was geworden”: “Fitzgeralds Great Gatsby fungeert als een ijkpunt”. En kun je je de boeken van Jay McInerney voorstellen zonder Fitzgerald?

Droeve ondertoon

Het is aartsmoeilijk om niet onder de bekoring van deze roman te komen, waarin Fitzgerald een verbluffend métier etaleert. Hij laveert tussen verschillende moods. Soms zijn de personages achteloos grappig, dan weer cynisch, rusteloos en ineens gewelddadig, met uiteindelijk die overheersende, droeve ondertoon. De naïeve vertelstem van de in Yale afgestudeerde Nick Carraway draagt daar veel toe bij: hij is de gedroomde observator van de peripetieën van de ongrijpbare nouveau riche Jay Gatsby, die zijn fortuin in schimmige omstandigheden vergaarde.

Is het nog nodig iets over de plot van het boek te vertellen? Misschien wel. Nick huurt een huis op Long Island, ten noorden van New York, om er zich als effectenmakelaar te vestigen. Daar blijkt hij de buurman van Jay Gatz nommé Gatsby. Zijn feesten, waarop hij zelf uit the picture blijft, zijn legendarisch en het is er een va et vient. Of zoals passante Jordan zei: ”Ik hou van grote feesten. Ze zijn zo intiem. Op kleine feesten is er nooit enige privacy.” Carraway, die persoonlijk geïnviteerd wordt, ziet in Gatsby een enigma dat hij kost wat kost wil ontsluieren. Gatsby is diep ongelukkig en verscheurd door zijn niet ingeloste, maar ooit zo passionele jeugdliefde voor Daisy, de achternicht van Nick. Het is Daisy die hij op zijn party’s wil zien opdagen. De southern belle is intussen gehuwd met de rijke ex-footballheld Tom, omdat ze niet wilde wachten op Gatsby’s terugkeer uit WO I, die toen nog een armtierig officiertje was. Echt florissant is Daisy’s huwelijk allang niet meer. De geborneerde patser Tom heeft een minnares, de ferme Myrtle, de vrouw van een garagehouder. De goeiige Nick raakt dichter tot bij Gatsby en arrangeert een ontmoeting tussen Daisy en de eenzame miljonair, die zelfs naar New York blijkt verhuisd om haar te kunnen screenen. Maar hoe realistisch is zijn hernieuwde toenadering, gezien “de immense vitaliteit van zijn illusies”? En is de leeghoofdige Daisy zijn liefde wel waard? Nick zet ongewild een noodlottig drama in gang. Zeker omdat Tom plots hoogst jaloers reageert op de avances van Gatsby. Na een emotionele, briljant beschreven scène leidt dat tot een ongeluk en een schandaal waarbij zowel Toms minnares als Gatsby het loodje leggen. The party is over.

Glorieus zelfbedrog

Zo samengevat lijkt dit boek een ordinair melodrama. Maar het is meer, véél meer. Hoogmoed komt voor de val, zeer zeker. The Great Gatsby handelt ook over de protserigheid van rijkdom, die aan bepaalde codes blijkt te voldoen waarvan nieuwkomer Gatsby niet alle sleutels bezit. Over de eeuwige drang naar geld, roem en erkenning. En over glorieus zelfbedrog.

De roman is een schuilhol van tergende zinnetjes en pittige dialogen die in je hoofd haken, met personages die met enig dédain hun praatjes debiteren: “Dat is het beste wat een meisje kan zijn in deze wereld – een mooi, dom gansje.” Of: “Ik dacht dat hij het een en ander van welgemanierdheid afwist, maar hij deugde niet eens voor het likken van mijn schoen.” Veel lof kreeg Fitzgerald voor zijn spaarzame stijl. Maar zo ingehouden is die nu ook weer niet. Jaap Goedegebuure vatte het ooit zo samen: “Laconiek en dwars van dramatische effecten. Op de momenten dat het er gepassioneerd aan toe gaat, is zijn toon nuchter, soms zelfs cynisch. Maar onverwacht kan hij ook zeer pathetisch zijn.” Fitzgerald is evenzeer subliem in sfeerschepping en decorum.

The Great Gatsby laat zich in retrospectief op verschillende niveaus lezen: als een metafoor voor een kort maar heftig tijdperk vol wezenloze weelde, dat met de doorprikte bubbel van de bankencrisis weer brandend actueel is geworden. Het resultaat is een moreel vacuüm. Verder is er die doelloze gekte van éénrichtingsliefde én hoe je bijna visionair je eigen ondergang kunt regisseren.

Elke klassieker heeft dat tikje profetie in zich. Dat is het minste wat je ook van The Great Gatsby kunt zeggen. In de slotpagina’s overschouwt Nick Carraway de erfenis van de door hem zo bewonderde Gatsby. “Gatsby geloofde in het groene licht, de orgiastische toekomst die jaar op jaar voor onze ogen terugwijkt. Ze ontglipte ons toen, maar dat doet er niet toe – morgen zullen we harder lopen, onze armen verder uitstrekken. En op een mooie dag- “

De eindpassages zijn nog altijd voer voor interpretatiefreaks: de enen vinden ze van een ongeëvenaarde schoonheid, anderen vinden ze protserig en over the top, alsof Fitz ons nog gauw een levensles wil meegeven. Ik neig naar het laatste. En wat vindt u?

Dirk Leyman

[De Grote Gatsby van F. Scott Fitzgerald is uitgegeven door Atlas Contact]

Reageren op deze Recyclezer kan hieronder, graag zelfs! U maakt kans op een volgende klassieker te winnen waar Dirk Leyman het stof van af blaast. In juni wordt dat ‘Eline Vere’ van Louis Couperus, die 150 jaar geleden werd geboren.

TAGS: