The Great Gatsby – F.Scott Fitzgerald

Regisseur van weelde en ondergang

In The Great Gatsby doorprikte F. Scott Fitzgerald met zwier de bubbel van  de American Dream, in een noodlottig verhaal over de eenrichtingsliefde van een nouveau riche. Nog steeds een sublieme leeservaring vol changing moods, vindt recyclezer Dirk Leyman. En daar kan geen verfilming tegenop.

Hebt u nog geen Great Gatsby-indigestie? Niet denkbeeldig, nu elk gerespecteerd medium zich uitput om in klank, beeld en woord de verloren Jazz Age van Scott Fitzgerald (1896-1940) weer tot leven te wekken. You name it, you got it. Modereportages in somptueuze decors, waarin de flappers met bobkapsels en sport jocks opnieuw furore mogen maken. Excursies naar Fitzgerald-locaties op Long Island of aan de Rivièra. Cocktailparty’s geïnspireerd op de feesten van de mysterieuze miljonair Jay Gatsby. “Mondain, mijn God, wat ben ik mondain”…. het is niet voor niets de kreet van de lichtzinnige Daisy in The Great Gatsby (1925).

De Fitzgerald-industrie draait op volle toeren, zeker sinds de rechten op zijn oeuvre tot het publieke domein behoren. De trammelant rond de bioscoopverfilming van Baz Luhrmann heeft nog extra kolen op het vuur geworpen. De niet al te laaiend ontvangen interpretatie, met Leonardo Di Caprio en Carey Mulligan in de hoofdrollen, kiest resoluut voor spektakel en kostumering.

The Great Gatsby lijkt inderdaad volkomen losgezongen van zijn schepper Francis Scott Key Fitzgerald, die met deze emblematische roman over the rise and fall of the American Dream zijn literaire hemel verdiende. Het hoogst ambigue boek is steeds weer gelezen als een kroniek van gefnuikte ambities én gedwarsboomde, tot mislukken gedoemde liefde. Eerst zijn er de tomeloze verwachtingen waarmee naar de sterren wordt gegrepen. Dan is er dat excessieve hedonisme, uitmondend in glamoureuze feesten vol parvenu’s. Intussen komen er meer krassen op het vernis. Tot het bouwwerk aan diggelen valt en de Grote Depressie zich opdringt.

De grillen van het interbellum

Natuurlijk heeft ook de roerige levenswandel van Fitzgerald bijgedragen tot de Gatsby-mythe. De parallellen zijn legio. Fitzgeralds van naald tot draad uitgeplozen biografie leest immers als een opwindende roman met tragische afloop. De wat weke jongeman uit Minnesota, die in Princeton afstudeerde, kon nooit weerstaan aan de bekoringen van het societybestaan, eerst in New York, dan in Parijs en aan de Rivièra en tenslotte terug in de Verenigde Staten. “De Jazz Tijd maakte hem bekend, streelde hem en verschafte hem meer geld dan waarvan hij ooit gedroomd had, eenvoudig omdat hij de mannen vertelde dat hij net zo voelde en dacht als zij, dat er iets gedaan moest worden met alle nerveuze energie die opgeslagen en onverbruikt was tijdens de Oorlog”, schreef Fitzgerald schamper over zichzelf in Echo’s uit de Jazztijd. Zijn turbulente en destructieve relatie met de labiele Zelda was algauw wekelijks voer voor de roddelpers. Fitzgeralds drankzucht nam intussen buitensporige afmetingen aan. Bij nader inzien gold hij als “de vleesgeworden sociaal-economische barometer”, zoals Auke Hulst onlangs in NRC pertinent opmerkte. “Weinig schrijvers volgden, in carrière en persoonlijk leven, zo feilloos de grillen van het interbellum.”

Nadat Fitzgerald in de jaren twintig de Amerikaanse literatuur flamboyant beheerste, raakte hij in de jaren dertig, na het zwakke onthaal van Tender is the Night (1934), op zijn retour. Bijna berooid moest Fitzgerald zich staande houden met kortverhalen en scenario’s voor Hollywood. Hij was toen al “een gebarsten bord”, gesloopt door het leven: in 1940 stierf hij op 44–jarige leeftijd aan een hartaanval. Zijn begrafenis werd maar door een handjevol mensen bijgewoond.

Ijkpunt

Spoedig na zijn dood kreeg Fitzgerald de klassieke status opgespeld, als “eloquente stem van de Lost Generation”, zoals het in een overlijdensbericht stond. Met dank aan The Great Gatsby, dat moeiteloos nieuwe generaties bezielde (al kreeg de roman aanvankelijk een wisselend onthaal). Toch had Gertrude Stein het al bij leven voorspeld: “Fitzgerald zal gelezen worden als veel van zijn tijdgenoten gestorven zullen zijn.” Talloos zijn de schrijvers die hem op handen dragen.  Haruki Murakami, die Fitzgerald naar het Japans vertaalde, beweerde in een essay dat hij zonder de Amerikaan nooit het soort literatuur had geschreven dat hem voor ogen stond, ja, “dat hij zelfs misschien niet eens schrijver was geworden”: “Fitzgeralds Great Gatsby fungeert als een ijkpunt”. En kun je je de boeken van Jay McInerney voorstellen zonder Fitzgerald?

Droeve ondertoon

Het is aartsmoeilijk om niet onder de bekoring van deze roman te komen, waarin Fitzgerald een verbluffend métier etaleert. Hij laveert tussen verschillende moods. Soms zijn de personages achteloos grappig, dan weer cynisch, rusteloos en ineens gewelddadig, met uiteindelijk die overheersende, droeve ondertoon. De naïeve vertelstem van de in Yale afgestudeerde Nick Carraway draagt daar veel toe bij: hij is de gedroomde observator van de peripetieën van de ongrijpbare nouveau riche Jay Gatsby, die zijn fortuin in schimmige omstandigheden vergaarde.

Is het nog nodig iets over de plot van het boek te vertellen? Misschien wel. Nick huurt een huis op Long Island, ten noorden van New York, om er zich als effectenmakelaar te vestigen. Daar blijkt hij de buurman van Jay Gatz nommé Gatsby. Zijn feesten, waarop hij zelf uit the picture blijft, zijn legendarisch en het is er een va et vient. Of zoals passante Jordan zei: ”Ik hou van grote feesten. Ze zijn zo intiem. Op kleine feesten is er nooit enige privacy.” Carraway, die persoonlijk geïnviteerd wordt, ziet in Gatsby een enigma dat hij kost wat kost wil ontsluieren. Gatsby is diep ongelukkig en verscheurd door zijn niet ingeloste, maar ooit zo passionele jeugdliefde voor Daisy, de achternicht van Nick. Het is Daisy die hij op zijn party’s wil zien opdagen. De southern belle is intussen gehuwd met de rijke ex-footballheld Tom, omdat ze niet wilde wachten op Gatsby’s terugkeer uit WO I, die toen nog een armtierig officiertje was. Echt florissant is Daisy’s huwelijk allang niet meer. De geborneerde patser Tom heeft een minnares, de ferme Myrtle, de vrouw van een garagehouder. De goeiige Nick raakt dichter tot bij Gatsby en arrangeert een ontmoeting tussen Daisy en de eenzame miljonair, die zelfs naar New York blijkt verhuisd om haar te kunnen screenen. Maar hoe realistisch is zijn hernieuwde toenadering, gezien “de immense vitaliteit van zijn illusies”? En is de leeghoofdige Daisy zijn liefde wel waard? Nick zet ongewild een noodlottig drama in gang. Zeker omdat Tom plots hoogst jaloers reageert op de avances van Gatsby. Na een emotionele, briljant beschreven scène leidt dat tot een ongeluk en een schandaal waarbij zowel Toms minnares als Gatsby het loodje leggen. The party is over.

Glorieus zelfbedrog

Zo samengevat lijkt dit boek een ordinair melodrama. Maar het is meer, véél meer. Hoogmoed komt voor de val, zeer zeker. The Great Gatsby handelt ook over de protserigheid van rijkdom, die aan bepaalde codes blijkt te voldoen waarvan nieuwkomer Gatsby niet alle sleutels bezit. Over de eeuwige drang naar geld, roem en erkenning. En over glorieus zelfbedrog.

De roman is een schuilhol van tergende zinnetjes en pittige dialogen die in je hoofd haken, met personages die met enig dédain hun praatjes debiteren: “Dat is het beste wat een meisje kan zijn in deze wereld – een mooi, dom gansje.” Of: “Ik dacht dat hij het een en ander van welgemanierdheid afwist, maar hij deugde niet eens voor het likken van mijn schoen.” Veel lof kreeg Fitzgerald voor zijn spaarzame stijl. Maar zo ingehouden is die nu ook weer niet. Jaap Goedegebuure vatte het ooit zo samen: “Laconiek en dwars van dramatische effecten. Op de momenten dat het er gepassioneerd aan toe gaat, is zijn toon nuchter, soms zelfs cynisch. Maar onverwacht kan hij ook zeer pathetisch zijn.” Fitzgerald is evenzeer subliem in sfeerschepping en decorum.

The Great Gatsby laat zich in retrospectief op verschillende niveaus lezen: als een metafoor voor een kort maar heftig tijdperk vol wezenloze weelde, dat met de doorprikte bubbel van de bankencrisis weer brandend actueel is geworden. Het resultaat is een moreel vacuüm. Verder is er die doelloze gekte van éénrichtingsliefde én hoe je bijna visionair je eigen ondergang kunt regisseren.

Elke klassieker heeft dat tikje profetie in zich. Dat is het minste wat je ook van The Great Gatsby kunt zeggen. In de slotpagina’s overschouwt Nick Carraway de erfenis van de door hem zo bewonderde Gatsby. “Gatsby geloofde in het groene licht, de orgiastische toekomst die jaar op jaar voor onze ogen terugwijkt. Ze ontglipte ons toen, maar dat doet er niet toe – morgen zullen we harder lopen, onze armen verder uitstrekken. En op een mooie dag- “

De eindpassages zijn nog altijd voer voor interpretatiefreaks: de enen vinden ze van een ongeëvenaarde schoonheid, anderen vinden ze protserig en over the top, alsof Fitz ons nog gauw een levensles wil meegeven. Ik neig naar het laatste. En wat vindt u?

Dirk Leyman

[De Grote Gatsby van F. Scott Fitzgerald is uitgegeven door Atlas Contact]

Reageren op deze Recyclezer kan hieronder, graag zelfs! U maakt kans op een volgende klassieker te winnen waar Dirk Leyman het stof van af blaast. In juni wordt dat ‘Eline Vere’ van Louis Couperus, die 150 jaar geleden werd geboren.

TAGS:

3 Antwoorden op “The Great Gatsby – F.Scott Fitzgerald”

  1. Meneer Jacques Zegt:

    Ik ben zeer benieuwd naar hoe het boek verfilmd is. Normaal bekijk ik nooit verfilmde boeken, maar deze keer zal ik het toch doen, omdat de trailer me echt wel aanspreekt en dat de recensies tot nu toe positief zijn.

    Ook de moeite waard om te vertellen dat Penguin Books twee nieuwe versies van het boek zullen drukken. Echt zeer mooie retro covers die bij het boek passen.

  2. Dirk Leyman Zegt:

    @meneer jacques, via deze link nog een aantal oudere en recente covers van The Great Gatsby, een boek dat duidelijk ook vormgevers aan de slag houdt:
    http://www.complex.com/art-design/2013/05/the-15-best-great-gatsby-book-covers/

  3. Seppe Zegt:

    Ik eindigde net ‘the Great Gatsby’, en ben toch enigzins onder de indruk van ambiguïteit van het hele werk, dat volgens mij enorm veel uiteenlopende lezingen toelaat.

    Wat me opviel is dat er, naar mijn aanvoelen, doorheen het hele boek een vreemd soort apathie of weemoedige afwezigheid hangt. Niet alleen in de verteller, die afwisselend melancholisch of pathetisch lijkt, maar ook in hoe het verhaal is opgebouwd (vele beschrijvingen zijn narratief gezien niet ‘noodzakelijk’, al zou dit kunnen gelezen worden als jazz; van wat geïntroduceerd wordt, is er onthutsend veel dat nauwelijks tot niet evolueert. Bovendien worden bepaalde grote plottwist bijzonder snel afgehandeld en op beslissende momenten lijken de personages vooral uitgepraat.(Het gesprek waarbij Daisy haar liefde bekent, bijvoorbeeld).)

    Ook de personages azld worden gesierd door een zekere onbevattelijkheid in hun, wat misschien wel omschreven kan worden als gemaakte afwezigheid. De hereniging tussen Daisy en Gatsby is hier een bijzonder goed voorbeeld van.

    ‘Een halve minuut lang was het doodstil. Toen hoorde ik een soort gesmoord gemurmel en een half lachje vanuit de zitkamer, gevolgd door Daisy’s stem, op heldere geknutselde toon: ‘Ik ben echt vreselijk blij je weer ’s te zien.’
    Stilte. Het duurde afgrijselijk lang.’

    Deze afstandelijkheid wisselt vrij onberekenbaar af met passages die eerder weemoedig en enigszinds hoogdravend (kunnen) aandoen, of soms ronduit pathetisch zijn. Een zeer sprekend voorbeeld is Daisy reactie wanneer ze Gatsby’s huis voor eerst aanschouwt, en het op een ‘geforceerd, onstuimig huilen’ zet omdat ‘ze nog nooit zo’n mooie onderhemden heeft gezien’.

    Toch is de mens meer dan door kapitaaldrang geleegde hulzen.

    Bovendien vallen er een paar bijzonder mooie gedachtes en rake beschrijvingen te rapen gaandeweg. Zo lezen we helemaal in het begin ‘Het opschorten van oordelen is een kwestie van oneindige hoop’.

    Bovendien zorgen de personages, die soms als bordkarton aandoen, maar vervolgens meer weemoed lijken te behuizen dan de hele wereldgeschiedenis, voor een zekere humor.

    Het einde dringt, volgens mij althans, vooral één duidelijk lezing naar voor; een weeklacht voor het ‘beschaven’ van de mens en de natuur, en hem zo te ontdoen van al wat ‘evenredig is aan zijn vermogen tot verwondering’.