Cees Nooteboom – Rituelen

Pas met zijn derde roman Rituelen (1980) groeide Cees Nooteboom uit tot een internationaal veelgelezen schrijver. Waarin schuilt de bekoring van deze diep filosofische roman met een ontheemd hoofdpersonage die “het leven als een vreemde club beschouwt waar je bij toeval lid van werd”? Dirk Leyman liet zich opnieuw meevoeren door Nootebooms timbre.

Door Dirk Leyman

“Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil”. Het moet ongeveer de beroemdste zin zijn uit het oeuvre van de tachtigjarige Cees Nooteboom, losgezongen tot een aforisme dat te pas en te onpas wordt geciteerd. Ze staat te lezen in de ronduit briljante openingsalinea van de roman Rituelen (1980). De willekeur van de herinnering, de ongrijpbaarheid van het verleden: het zijn dan ook de kernthema’s van Nootebooms oeuvre. Rituelen begint trouwens met een memorabele frase: “Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde, stonden de aandelen van Philips 149,60.”

Het is een alinea die je meteen op je qui-vive zet en je inpalmt door zijn precisie en de boude verwachtingen die ze opwekt. Inni Wintrop herinnert zich vervolgens “dat hij zich had opgehangen in zijn wc omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had dat zijn vrouw ervandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen.”

Wat is hier allemaal aan de hand? En hoe moet het verder met deze Inni Wintrop na zijn (mislukte) zelfmoordpoging en de verlating door echtgenote Zita, hij die zichzelf omschrijft als ‘een gat’, “een afwezige, iemand die niet bestond”? Een soort dilettant én kameleon, zo voelt dit hoofdpersonage zich regelmatig, “iemand die ingevuld kon worden compleet met houding en accent, het was hem om het even.” Is Rituelen een zweverig boek? Nee, maar ceremonieën – zoals de Japanse theeceremonie, oosterse mystieke rituelen, de rooms-katholieke mis of de geplogendheden bij de geldhandel – spelen er een aanzienlijke rol in. En verder heeft Nooteboom in Rituelen zijn thema van het verglijden van de tijd en het vergeefse ordenen van herinneringen geperfectioneerd. Net als dat eeuwige spanningsveld tussen ‘schijn en wezen’, een stokpaardje dat hij ook in zijn talloze reisverhalen op magistrale wijze berijdt. Zo evolueerde dit oeuvre – om de woorden van Harry Mulisch te citeren – tot “een groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen, waardoor onderling voeling wordt gehouden en geheimzinnige berichten heen en weer worden gezonden.”

‘De eerste kritiek vergeet je niet’

Rituelen – bekroond met de F. Bordewijkprijs – betekende in 1980 een bijna schoorvoetende terugkeer naar het romangenre, nadat Nooteboom zich zeventien jaar lang had toegelegd op dichtbundels, reisverslagen en journalistiek voor onder meer Elsevier, de Volkskrant en het glossy magazine  Avenue. Met Philip en de anderen (1955) en De ridder is gestorven (1963) had hij zijn visitekaartjes als romancier al afgeleverd. “Toen mijn Rituelen verscheen, na een periode van zeventien jaar zonder fictie, was de allereerste kritiek er een van ene mijnheer Mulder in NRC. Die schreef: dit boek is helemaal niks, flauwekul”, zo vertelde Nooteboom onlangs in een interview in De Morgen. “Het boek is uiteindelijk in vele talen vertaald en werd, laten we wel wezen, hier en daar toch een groot succes. Maar die eerste kritiek vergeet je niet. Al zei Mulisch daar ooit over: “Na verloop van tijd zijn er nog twee die het weten: dat ben jij en hij.” (lacht) Dat vond ik wel een goeie.”

Met Rituelen forceerde Nooteboom de poort naar het buitenland. Nadat het boek de Mobil Oil Pegasus Prize for Literature (1982) verwierf, kwam er een stroom van vertalingen op gang. In die zin is het boek een mijlpaal. En het is makkelijk te begrijpen hoe Rituelen tot een klassieker kon uitgroeien, al is het een veelgelaagde, complex geconstrueerde roman en heeft de roman voor scholieren – bij wie het in Nederland vaak op de leeslijst prijkt – soms de allure van een struikelsteen.

Nooteboom husselt met de chronologie en verbeeldt in Rituelen drie periodes uit het leven van Inni Wintrop: 1963, 1953 en 1973, wat hem meteen ook verleidt tot tijdsbeelden vol treffende observaties die meer dan zomaar als decorum fungeren. Het is een bijna afstandelijke, licht melancholieke kijk op roerige gebeurtenissen, hoe terloops ze soms ook worden aangestipt: de dood van Kennedy, het turbulente Amsterdam…. Nooteboom jongleert met de geschiedenis, iets waar ook Annemarie Musschoot op wijst in het juryverslag bij de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in 2009: “Elementen die terugkeren in de geschiedenis, al dan niet in gewijzigde vorm: Nooteboom noemde het ‘het rijmen van de geschiedenis.’

Bochtig traject van rituele hindernissen

Inni is een diffuus en ontheemd personage die teert op een erfenis en zijn kostje verder verdient met schimmige geldhandel, schilderijenverkoop en het schrijven van horoscopen. “Hij beschouwde het leven als een wat vreemde club waar hij bij toeval lid van geworden was en waaruit men zonder opgaaf van redenen geroyeerd kon worden. Hij had al besloten die club te verlaten als de vergadering erg vervelend zou worden.” Onmiskenbaar krijgt Inni een paar trekken van Nooteboom zelf mee – ook hij werd van school gestuurd. Nooteboom gaf dat autobiografische aspect trouwens toe in een interview met de Volkskrant uit 2003 met Arjan Peters: “Het gaat over wat het is als je zo vanaf je achtste geen vader meer hebt.” Vooral de tijd is een onvatbaar verschijnsel in Rituelen. Zo ervaart Inni het verleden als “een ondeelbaar massief voorwerp, een gerecht met maar één smaak, een amorfe massa.”

Inni maakt in 1953 via zijn tante Thérèse kennis met Arnold Taads, een man die dieren hoger acht dan mensen en zich met beredeneerde koelheid uit de wereld terugtrekt. Arnolds’ leven is op bijna militaristische wijze gestuurd door de klok. Om in een Alpendal – waar hij steeds gaat skieën – tenslotte op zijn vernietiging af te stevenen. Twintig jaar later komt Inni ook in aanraking met diens zoon Philip Taads, terwijl hij voor een etalage naar een raku-kom staat turen. Die doet er qua onthechting nog een flinke schep bovenop. Philip Taads levert zich over aan meditatie en is gegrepen is door het taoïsme. Toch blijft Inni gefascineerd door zijn ceremoniële drang. Het culmineert in een in ijselijke stilte uitgevoerde theeceremonie, “een lang bochtig traject rituele hindernissen”. De zelfmoord is onvermijdelijk.

Gratuite seks

Ook Inni heeft nood aan rituelen: zijn eerste glas whisky is een bepalend moment, “het handvat aan het luik dat opgetild moest worden voor de grote afdaling in de schimmenwereld.” Jaap Goedegebuure noemt in een essay de whisky Nootebooms koekje van Madeleine, een “openlijk huldebetoon aan Marcel Proust”. De ontmoetingen met vader en zoon Taads zetten Inni aan tot een zoektocht naar de zin van zijn bestaan. Maar Inni is gegrepen door relativisme en stuit telkens weer op een zekere betekenisloosheid. Wanneer hij 45 jaar wordt, stelt hij vast dat hij “de grens naar het vreselijke overschreden had zonder dat iemand hem ooit om een paspoort gevraagd had.” Inni zoekt vooral zijn heil in gratuite seks en veel vrouwen (met namen als Petra, Lyda, Duifje en zijn echtgenote Zita, ‘de prinses van Namibië’, die hem verlaat voor een Italiaanse fotograaf): “De nieuwe liefde was het crematorium van de oude.”

Ergens verbeeldt Nooteboom misschien ook het crisisgevoel van begin jaren tachtig van een zich overal misplaatst voelend individu. Het leven als een probeersel, waar men zich niet te zeer mag aan vastklampen. Of zoals Philip Taads het omschrijft: “Het einde der tijden was nabij en hij dacht niet dat dat erg was. De zondvloed moest niet na je komen, die moest je meemaken.” Wat zich overigens ook veruiterlijkt in Inni’s wisselende stemmingen, van extase tot diepe depressies.

Gruwelijk én grappig

Deze roman is gezegend met een existentialistische lading die er soms te dik op ligt. Tegenstanders van de al te geëtaleerde diepzinnigheid van Nooteboom komen hier onmiskenbaar aan hun trekken en vinden wellicht stof genoeg om hem te tackelen. Rituelen leest als een soms absurdistische, rijk geschakeerde zoektocht naar zingeving, zonder klefheid maar vol meanderende zinnen en bijna pasklare aforismen – je wil voortdurend van alles aanstrepen.

En toch: ondanks de loden zwaarte van de Taadsen en die alomtegenwoordige doodsdrift, behoudt Nooteboom een zekere luchthartigheid, een je ne sais quoi waar hij alleen zo gracieus kan mee omspringen. Gruwelijk en grappig tegelijk, zoals A.S. Byatt in haar voorwoord tot een recente heruitgave noteert. Dat vond ook recensent Alfred Kossmann destijds in zijn recensie in Het Vaderland. Op de vraag of het mogelijk is een aardige en opwekkende roman te schrijven over zelfvernietiging, antwoordde hij met ‘ja’ – dankzij Nooteboom. Nee, Rituelen is geen plotdriven boek. Je kunt je er maar beter aan overleveren, dobberen op het ritme van de elegante, mild ironische zinnen, bereid ook om hinkstapsprongen door de tijd te maken. Jawel: net als een straathond kun je er lang in ronddrentelen, her en der snuffelend, dan weer afgeleid en de draad verliezend of het spoor bijster. Maar uiteindelijk leg je je verzadigd neer.

Dirk Leyman

[Cees Nooteboom, Rituelen, is onlangs heruitgegeven bij De Bezige Bij, met een voorwoord van A.S. Byatt.]

Volgende boek: De vreemdeling van Albert Camus

TAGS: