Kathedraal – Raymond Carver

Het uitgebeende proza van Raymond Carver beïnvloedde talloze schrijversgeneraties. Maar zijn korte verhalen – met veel alcoholisme, suburbia-troosteloosheid en scheidingsperikelen – hebben naast idolate fans ook rabiate tegenstanders. Doorstaat het ‘dirty realism’ van Carver de tand des tijds? Recyclezer Dirk Leyman toetste het aan de hand van ‘Kathedraal’.

De koning van het kitchen sink drama, zo zou je Raymond Carver (1938-1988) kunnen omschrijven. Ware het niet dat de bescheiden Carver geen hoge pet op had van eretitels. Mistroostige verhalen schreef de Amerikaanse auteur, die al op zijn vijftigste overleed aan de gevolgen van longkanker. Verhalen waarin de hoofdpersonages hun geluk, geld en gezin achteloos door de vingers zien glippen en de teleurstelling onverbiddelijk het roer in handen neemt. Vaak bezitten Carvers figuren niet de kracht om hun leven in een betere plooi te leggen. Haast filmische verhalen in een zuinige taal zijn het, waarbij de witregels even essentieel zijn als de weloverwogen woorden. Ze baden in een atmosfeer die volgens sommigen wel eens appelleert aan de schilderijen van Edward Hopper. Maar dat klopt slechts ten dele. Bij Carver is de leefwereld morsiger en minder suggestief, zeker ook door dat alomtegenwoordige alcoholisme én de bittere houdgreep van de dagelijksheid. Reminiscenties aan bepaalde foto’s van Nan Goldin komen ook wel eens akelig dichtbij.

Dirty realism

Carver was ervan overtuigd dat het mogelijk moest zijn om “over gewone dingen en zaken te schrijven met gewone, maar precieze taal, en deze dingen – een stoel, een gordijn, een vork, een steen, een oorbel – van een immense, zelfs verrassende kracht te voorzien.” Met die visie sloot Carver nauw aan bij de kliek van het ‘dirty realism’, met bijvoorbeeld auteurs als Ann Beattie, Frederick Barthelme, Richard Ford en Tobias Wolff, die op hun beurt beïnvloed waren door de kale stijl van Ernest Hemingway. Geen theoretisering, gevleugelde gedachten of doortimmerde plots bij Carver. Het ordinary life van de door het leven gehavende Amerikaan en de doorsnee blue collar worker staat vaak centraal, in al zijn kleurloosheid en grauwheid. Maar de impact van zijn schrale proza was immens, met vertalingen in twintig landen, diverse onderscheidingen en een stoet navolgers en epigonen, die dachten dat ze met zuinig schrijven op safe zaten. Schrijvers als Jan van Mersbergen, Sanneke van Hassel, Rita Demeester, Ton Rozeman drukken zijn voetspoor – al is het Carver-trucje niet zo makkelijk te herhalen. Zelfs de Nieuw-Zeelandse popzangeres Lorde noemt Carver een grote invloed.

Drankduivel

Raymond Carver wist waarover hij sprak toen hij armoede en krasselende levensomstandigheden op papier zette. Hij omschreef zichzelf wel eens als een ‘paid-in-full member of the working poor’. Carver, geboren op 25 mei 1938 in Clatskanie (Oregon), was de zoon van een serveuse en een alcoholische houtzager. Zelf kwam hij ooit aan de bak als bode, pompbediende, kruier, schoonmaker in een ziekenhuismortuarium en colporteur van encyclopedieën. Twintig jaar lang zat hij gebarricadeerd in een mislukt huwelijk, terwijl ook de drankduivel hem danig parten speelde. Carver was al vroeg geporteerd voor het korte verhaal dat hij verfijnde tussen al zijn onderbetaalde baantjes door. De vonk kwam er toen hij een cursus creative writing volgde bij de schrijver John Gardner, die lange tijd fungeerde als zijn mentor. Carver publiceerde zijn eerste verhaal al in 1961 en werkte zich langzaam op als docent (in onder meer creative writing) nadat hij op eigen houtje universitaire studies aanvatte. Zo doceerde hij later diverse jaren aan de Universiteit van Texas en aan Syracuse University en kreeg hij vanaf 1983 een uitgebreid stipendium waarmee hij zich full-time op het schrijven kon toeleggen. Het tij keerde nog meer toen hij schrijfster Tess Gallagher leerde kennen en hij de fles afzwoer. Zijn beste verhalen – zo beweerde hij – schreef hij toen hij droog stond.

Maximaal effect

In 1976 maakte Carver zijn ‘officiële’ debuut met Will You Please be Quiet, Please?, meteen geshortlist voor de National Book Award, in 1981 gevolgd door wat wellicht zijn beroemdste bundel werd: What We Talk About When we Talk about Love (1981). Bij leven verscheen nog Cathedral (1983) en Where I’m Calling From (1988), al bleef Carvers oeuvre beperkt van omvang. Maar met maximaal effect. Carver was trouwens ook een begaafd dichter, in de traditie van Robert Frost. Later kwam evenwel aan het licht dat zijn dominante redacteur Gordon Lish drastisch de schaar had gezet in zijn verhalen en ze zo – ironisch genoeg – nog uitgebeender maakte dan Carver ze oorspronkelijk bedoelde. Dialogen werden gedecimeerd en complete delen herschreven om ze nog meer te versoberen. Carver was daar naderhand steeds minder mee opgezet, vooral omdat hij wilde tonen dat hij meer in zijn mars had. En ook omdat hij meer lucht én mededogen in zijn proza wilde toelaten. Pas na zijn dood doken de ongepolijste en door Carver geschreven versies op, op initiatief van zijn weduwe Tess Gallagher. Dan bleek dat Lish soms 75 procent van de verhalen in de papiermand had gekieperd. Toch was de Carver-touch onmogelijk weg te wissen.

Beperkt register

Het bij De Bezige Bij heruitgeven Kathedraal (1983) toonde overduidelijk die op til zijnde, voorzichtige kentering in Carvers oeuvre. Meer warmte, meer losse eindjes én meer momenten van optimisme. Niet altijd weer dat gedrilde minimalisme, al had Carver zelf een hekel aan het woord en liet hij zich niet in hokjes stoppen. Wel zijn de thema’s onveranderd en vind je in Kathedraal een paar van zijn beroemdste verhalen, waaronder het titelverhaal, ‘Waar ik vandaan bel’, ‘Veren’ en ‘Een kleine weldaad’.

Ik moet bekennen dat ik destijds niet warm liep voor Raymond Carver. Ooit maakte ik kennis met Carver via het Nieuw Wereldtijdschrift van Herman de Coninck, die een groot pleitbezorger was van de Amerikaan en aan de lopende band verhalen van hem publiceerde. Maar Carvers proza was me te beperkt van register. Mooie zinnen lees je er inderdaad niet in. Het was de periode toen vooral de taalvirtuozen, de polemisten, de decadenten en de grote geesten me konden behagen. Literatuur moest je boven de wereld laten uitstijgen, je taal- en esthetisch plezier bezorgen, vernuftig geconstrueerd zijn en je wereldbeeld scherpen. En een ijzersterke plot was ook meegenomen. Wat had de vaak geïmiteerde banaliteit van Carver met mijn leven te maken? Niks. Ik liep er met een boogje omheen. En als je dan al over de barre realiteit schrijft, tuig ze dan toch op met woorden, aub. Toch klopte Carver af en toe weer op de deur. En ik liet hem binnen. De klik kwam er na het zien van de Robert Altman-film Short Cuts (1993) -gebaseerd op Carver-verhalen- waarna ik ze weer aandachtig ging herlezen. Langzaam begon ik te begrijpen waar het Carver om te doen was – het kwartje viel – en kon ik zijn mechanismen ontrafelen. Ik ontdekte hoe ingenieus hij te werk ging en wat een talent hier te herontginnen viel. Ja, zo kon je dus ook schrijven. En waarom de neus ophalen voor het gewone leven? Niemand ontsnapt aan de banaliteit en de teleurstelling, al moet je ze dan zoveel mogelijk zien te vermijden.

Minder is meer

Carver kan als geen ander het doodgewone bestaan verhevigd belichten, zo blijkt ook uit Kathedraal. Wél doet hij dat pijnlijk accuraat. Ook in deze bundel is minder nog steeds méér. En is minder meer dan genoeg voor de alerte lezer. Het is meestal niet fraai wat je te zien krijgt. Huwelijken lijken voorbestemd om in scheidingen uit te monden. Kijk naar de verhalen ‘Chefs huis’ en ‘Waar ik vandaan bel’ (dat zich afspeelt in een afkickcentrum). De drank vloeit (of wordt zelfs behendig verstopt) en maakt veel kapot. En van gesprekken word je ook niet veel wijzer. Zoals Denis Donoghue het ooit omschreef: “In Raymond Carver’s stories, it is dangerous even to speak. Conversation completes the damage people have already done to one another in silence.” Zie bijvoorbeeld ‘De coupé’ met de gescheiden vader – al lang gebrouilleerd met zijn zoon – die hem na een brief besluit op te zoeken in Straatsburg. Tot hij op het laatste moment toch niet uit de trein stapt. “De laatste keer dat Myers zijn zoon had gezien was die hem tijdens een hevige ruzie te lijf gegaan.” Het verdwijnen van zijn koffer is een extra scharniermoment. Hier toont Carver opnieuw hoe minuscule details alles kunnen doen kantelen.

Perpetuum mobile

Terecht beroemd is het verhaal ‘Een kleine weldaad’, waarin een koppel geconfronteerd wordt met een bruut verkeersongeval van hun zoontje, pal op zijn verjaardag. Carver toont hoe hun hoop aan diggelen wordt geslagen en hoe ze zich vastklampen aan elke strohalm. En dat laat Carver doorkruisen door afgebeten telefoontjes die hen – net in het midden van het drama – bestoken. De lezer kent het misverstand, de personages (nog) niet. Tot er alsnog een verzoening komt, zonder klefheid. Een verhaal van wereldklasse en meteen ook een van de signalen dat Carver milder werd.

Al even beroemd is het titelverhaal ‘Kathedraal’, met de beginzin: “We kregen een nacht een blinde te logeren, een oude vriend van mijn vrouw.” Die blinde zorgt voor gevoeligheid bij de verbitterde hoofdfiguur, wanneer hij zijn hand leidt om een kathedraal na te tekenen. Verwijzend naar zijn eigen verleden als huis-aan-huisverkoper is er ‘Vitaminen’, een vintage Carver, waarin een man een oog laat vallen op een vriendin van zijn vrouw, tot een brouille in een kroeg voor een dreigende atmosfeer zorgt. Einde onhandige versierpoging. Mannen zijn vaak lomp bij Carver, vol verdrongen begeerte die plots de kop opsteekt en dan weer gedwarsboomd wordt, zodat ze gefrustreerd achterblijven. Zo lonkt weer de fles. Carvers wereld is een perpetuum mobile, met soms ongerijmde flitsen van humor (zie de gidsafdruk van “het rommeligste gebit ter wereld” in ‘Veren’ of ‘Voorzichtig’ waarin een pas gescheiden vrouw opgewarmde baby-olie in het oor van haar ex giet om een prop te verwijderen).

Allemaal entertainment

‘Kathedraal’ is een bundel die je lang op je moet laten inwerken én die je blik op de buitenwereld ongemerkt aanscherpt. En – die net als ander proza van Carver – onwaarschijnlijk veel theorievorming en wetenschappelijke studies heeft opgeleverd. Opmerkelijk voor zo’n volstrekt ontheoretisch proza. Toch had de schrijver weinig verwachtingen over zijn verhalen. “Ik denk niet dat ze mensen op een ingrijpende manier veranderen”, vertelde hij aan The Paris Review. “Misschien wel helemaal niet. Kunst is tenslotte een vorm van entertainment, nietwaar? Voor zowel de maker als de consument. Ik bedoel op een bepaalde manier is het hetzelfde als een potje biljarten of kaarten, of bowlen…Het is gewoon een andere, ik zou zeggen, een hogere vorm van amusement. (…..) Met proza dingen veranderen, iemands politieke overtuigingen of het politieke systeem zelf, of de walvissen of roodsparren redden, nee.”

Dirk Leyman

[Kathedraal van Raymond Carver is uitgegeven bij De Bezige Bij, 239 pagina’s.]

Volgende aflevering van de Recyclezer: Jan Wolkers, Turks fruit.

TAGS:

1 Antwoord op “Kathedraal – Raymond Carver”

  1. Pierre Brewee Zegt:

    Ik heb mijn kennissenkring al gesproken over Raymond Carver, de ongekroonde koning van het kortverhaal. Misschien was mijn pleidooi niet overtuigend genoeg. Je wil weten WAAROM je Raymond Carver zou moeten lezen? Ik durf er mijn hoofd op te verwedden dat je na het lezen van deze boekbespreking meteen naar de boekenwinkel rent en er alles koopt wat je te pakken kan krijgen van deze auteur. Niet alleen prachtige verhalen over eenvoudige mensen en dingen maar bovendien ook nog eens … in een Engels dat zelfs een klein kind van zes zonder moeite kan lezen: de ideale manier dus om die eerste stap te zetten naar het lezen van Engelstalige literatuur. Uniek, onovertroffen, meesterlijk, nooit meer te evenaren. De enige die in zijn buurt komt … is Richard Yates, die ik trouwens ook al uitgebreid heb voorgesteld aan mijn kennissen: net als Raymond Carver verplicht leesvoer. Je weet wat je te doen staat: stante pede naar de boekenwinkel of het boekenmarktje gaan en alles kopen wat je in handen krijgt van Carver of Yates … en natuurlijk ga je voor de Engelstalige uitgave en laat je de Nederlandstalige uitgaven links liggen!