Categorie: 'Geen categorie'

‘Tussen de bedrijven’ – Virginia Woolf

30 / 04 / 2013

Virginia Woolfs laatste, postume roman heeft als klassieker een dubieuze status. ‘Tussen de bedrijven’ (1941) is nu voor het eerst in het Nederlands beschikbaar, in een uitmuntende vertaling van Erwin Mortier. Recyclezer Dirk Leyman ziet in dit boek een welkome opstap naar haar oeuvre.

Wervelend, wispelturig én doorwrocht

Virginia Woolf. Haar naam associeer je haast automatisch met het glooiende landschap van Kent en East-Sussex in Zuid-Engeland. Wie is tijdens een zomerse rondrit nooit afgestapt in Sissinghurst met zijn torenkamer en voluptueuze, piekfijn onderhouden tuinen? Het is de mythische plek waar Woolfs minnares Vita Sackville-West resideerde en waarover ze haar roman ‘Orlando’ (1928) schreef. Om vervolgens af te stevenen op Knole, nabij Sevenoaks, dat Woolf mee inspireerde en waar Sackville-West opgroeide?

Door deze counties waait ondubbelzinnig de geest van Woolf (1882-1941), terwijl de museumshops van Knole en Sissinghurst je om de oren slaan met theelepeltjes, sleutelhangers of placemats. Daarop staat haar karakteristieke portret met het zuinige pruimenmondje en de dot opgestoken haar. “Het oeuvre van Woolf zal die kneuterigheid wel met glans weerstaan”, vermoedt Woolf-bewonderaar en vertaler Erwin Mortier, over die zeloterige bedevaartsneiging van de Engelsen. Of moet je eerder zeggen dat men in Groot-Brittannië zijn literair erfgoed in ere houdt, mede door de inspanningen van de National Trust, die de sites beheert en ontsluit? Vaak is de eindha lte van een dergelijke roadtrip Monk’s House in Rodmell, waar Woolf vanaf 1919 geregeld met haar echtgenoot Leonard Woolf woonde, tot ze op 28 maart 1941 zelfmoord pleegde door in de river de Ouse te strompelen, haar jaszakken opgevuld met keien. Monk’s House was immers ook een trefpunt van de avant-gardistische Bloomsbury Group, waartoe onder meer Woolfs zuster Vanessa Bell behoorde. Sinds zijn openstelling in 1982 is het door honderdduizenden toeristen bezocht. En dan rest er nog Londen en de Bloomsburywijk, waar Woolf evenzeer aan verknocht was. “Lopen door de stad was voor Woolf even noodzakelijk als wandelen in Sussex”, noteert Hein Groen in haar mooie topografische studie De ruimte van Virginia Woolf (1998).

Schutspatrones van het feminisme

Al decennialang is Virginia Woolf als literair icoon geheel losgezongen van haar weerbarstige en modernistische oeuvre, waarin romans als Mrs. Dalloway (192 5), To The Lighthouse (1927), The Waves (1931) én haar studie A Room of One’s Own (1929) de kernstukken zijn. Welke schrijfster kan zeggen dat ze tot een staande uitdrukking is bevorderd, zijnde de titel van een toneelstuk? Met zijn Who’s Afraid of Virginia Woolf? (1962) zwengelde Edward Albee de belangstelling onverhoeds weer aan. Woolf is altijd een geliefde prooi van Britse biografen geweest. Niet verwonderlijk. Er zit immens veel stof in dit leven. Een jeugd waarin ze door haar halfbroers wellicht veelvuldig misbruikt werd én ze haar beide ouders, literatoren pur sang, op jonge leeftijd verloor om al vroeg door nimmer wijkende depressies en zenuwinzinkingen geteisterd te worden.

Woolfs introspectieve en complexe stijl, die parallel aan James Joyce de stream of consciousness van de personages cultiveerde, heeft zowel fervente aanhangers als rabiate tegenstanders, die haar obscurantisme aanwrijven. Bovendien is ze een soort schutspatroon van het feminisme met haar androgyne seksualiteit en haar levenslange strijd voor vrouwenliteratuur: “Een vrouw moet geld en een eigen kamer hebben als ze fictie wil schrijven. En zoals u kunt constateren blijft het probleem van de ware aard van de vrouw en de ware aard van fictie onopgelost.” Woolf werd na haar dood voor vele karretjes gespannen, zelfs de mei ’68-ers ging er ooit even mee aan de haal.

Zeker is dat Woolf een scharnierfiguur is, ze fungeert als estaffettestokje tussen het Victoriaanse Engeland (waar ze nog met allerlei touwtjes aan verbonden was) én een literatuur die weidsere horizonten verkende, in een poging om de roman opnieuw heruit te vinden.

Een heel leven denken en schrijven

Ik ben nooit wild geweest van het werk van Woolf, dat onmiskenbaar een zekere impermeabiliteit bezit. Misschien kreeg ik het op te jonge leeftijd voor de kiezen, in de verkeerde context. Of misschien voelde ik te weinig raakpunten met de thema’s die Woolf aansneed. Als je niet over de precieze handleiding beschikt, is het verre van denkbeeldig dat Woolfs bij momenten al te tragische gekwelde boeken helemaal van je afglijden. Pas in haar dagboeken kwam Woolf me naderbij. Erwin Mortier noteert daarover: “Woolf geldt nog te vaak als een ontoegankelijke schrijfster. Ze nam haar lezer ernstig, dat is iets anders, en ze had als auteur te veel trots om die lezer met narratieve kluitjes in het riet te sturen.”

Het is merkwaardig dat Woolfs laatste, postuum verschenen roman Tussen de bedrijven (Between the acts) pas nu voor het eerst een Nederlandse vertaling krijgt, mede dankzij de inspanningen van Mortier, die de voorbije zeven jaar met tussenpozen zijn ziel erin legde. En ik beken: als introductie tot Woolfs oeuvre is dit boek een haast gedroomd opstapje. De roman is zowel het substraat van een heel leven denken en schrijven als een meanderende (en soms schalkse) wandeling doorheen de Britse culturele geschiedenis.

Drie jaar voor ze zichzelf verdronk in de Ouse verrees in Woolfs dagboek de opzet voor deze roman. Die kreeg op dat moment de werktitel Poyntzet Hall, de naam van het Britse landhuis waar de handeling zich zou voltrekken. Rondom die plek wilde Woolf een mélange maken van oudere literaire teksten, die ze doorweefde met de alledaagse gebeurtenissen van haar personages, een ‘wij’, een gemeenschap. “Een wervelend, wispelturig, maar toch doorwrocht geheel – mijn huidige geestestoestand”, dàt moest het worden. Uiteindelijk zou de roman voor haar “essentiëler worden dan alles wat ik daarvoor geschreven heb.” ‘Between the acts’ verwees naar de periode tussen de twee wereldoorlogen en heeft een toneelmatige structuur, al zou je het evengoed een stemmenballet kunnen noemen.

De zomerdag in 1939, waarin de handeling zich voltrekt, is op het eerste gezicht idyllisch. Maar de oorlog wringt zijn voet al tussen de deur, terwijl de signalen van een transitie van de Engelse samenleving niet te negeren zijn: auto en motorfiets rukken op en de kerkdiensten laten gestaag van hun pluimen.

Onderkoelde  ironie

Het landgoed van de Olivers, Pointz Hall, is in ‘Tussen de bedrijven’ het toneel van een historisch schouwspel, dat onder het commando staat van “de wonderbaarlijk energiekejuffrouw La Trobe, die enige wrevel opwekt met haar merkwaardige interpretatie van de Britse geschiedenis. Het blijft gissen wat ze precies met haar kakofonie bedoelt, zeker omdat een en ander in het honderd loopt.

Er wordt wat afgekakeld tussen de personages die Woolf hier laat samenvloeien en bij wie ze in het hoofd kijkt: de bejaarde pater familias Bartholomew Oliver, die gediend heeft in India, zijn religieuze zus Lucy, zijn zoon Giles, actief in de beurswereld én diens vrouw Isa, met haar geheime attentie voor herenboer Rupert Haines. Woolf voegt daarbij nog de wulpse mevrouw Manresa, echtgenote van een joodse bankier uit The City én haar jongere vriend William Dodge én uiteraard juffrouw La Trobe:  “Ze leek op een kapitein die over zijn dek schrijdt.” Regelmatig jongleert Woolf met diverse archetypes én schakeringen van vrouwelijkheid. De ingenieuze roman, die plot noch intrige kent, is een kruising tussen zedenschets en historisch steekspel waarin ze nogal wat op de hak neemt. Mortier schrijft in zijn voorwoord dat veel lezers “verrast zullen zijn door de leesbaarheid en geestigheid van dit verhaal, dat zich met verve bedient van het soort onderkoelde ironie waarop de Britten het patent lijken te hebben.” Zoals wanneer ze Isa’s verliefdheid voor Rupert treft, wanneer ze naar zichzelf in de spiegel kijkt, en tegelijk worstelt met de liefde voorhaar man: “Innerlijke liefde lag in haar ogen, uiterlijke liefde op de kaptafel.” Ergens ook laat Woolf een voorafspiegeling zien van een verdrinkingsdood, wanneer ze het verhaal te berde brengt over een dame die zich in een lelievijver van Pointz Hall om het leven bracht. Tot grote angst van de keukenmeisjes, zeker wanneer er een dijbeen wordt aangetroffen. “Keukenmeisjes moeten hun verdronken dame hebben.”

Voortdurend bemerk je hoe minutieus, doorleefd én rijk deze vertaling van Erwin Mortier is, vol “gewaagde beelden” van Woolf, en zoals hij in een interview in De Morgen zegt, “vol puntige psychologisch en altijd suggestieve typeringen”. Erwin Mortier leidt het boek op voortreffelijke wijze in. Al vraag ik me af of je zijn uitgebalanceerde voorwoord niet beter kunt degusteren nadat je de roman gelezen hebt. Mortiers aantekeningen en voetnoten bij het schouwspel zijn evenmin een overbodige luxe en maken dit boek tot een modeluitgave. Toch blijven er een paar kwesties acuut en ik leg ze graag aan jullie voor. Maakt Tussen de bedrijven een afgewerkte indruk? Hoezeer grijpt dit boek de hedendaagse lezer nog bij het nekvel? Als relict van een vervlogen tijdperk of als synthese van een uniek schrijverschap?

Dirk Leyman

[Tussen de bedrijven van Virginia Woolf, vertaling, voorwoord en aantekeningen van Erwin Mortier, is uitgegeven bij De Bezige Bij, 237 p]

Hebt u ‘Between the acts’ van Virginia Woolf gelezen, of misschien een eerder werk van haar? Laat hier onder een reactie achter, en u maakt kans op een volgende klassieker uit de wereldliteratuur te winnen, die de Recyclezer onder handen neemt. In mei is dat ‘De grote Gatsby’ van F. Scott-Fitzgerald.

Pauline Réage – Het verhaal van O

27 / 03 / 2013

In het kielzog van ‘Fifty Shades of Grey’ is de Franse SM-klassieker ‘Het verhaal van O’ (1954) terug uitgebracht. De geraffineerde roman van Pauline Réage degradeert E.L. James tot een derderangsschrijfster, vindt recyclezer Dirk Leyman.

Elk glossy magazine en lifestyleprogramma heeft er tegenwoordig de handen vol mee. Als je het moet geloven is half Vlaanderen driftig in de weer met lichte vormen van sadomasochisme en bondage. Blinddoek, kaarsvet en zweepje zijn onmisbare attributen in de bedstee geworden. Zelfs het serieuze actualiteitenprogramma Terzake maakte onlangs een excursie langs gespecialiseerde winkels en stelde vast dat maskertjes en vaginale ‘balletjes’ ongemeen veel aftrek vinden. Zenders als Canvas en Vitaya springen dezer dagen mee op de kar om onze lusten visueel aan te vuren, met softporno van allerlei pluimage.

Is dat allemaal op het conto te schrijven van de fantasma’s van de braaf pennende huisvrouw E.L. James en haar helden Christian Grey en Anastasia Steele? Sinds het wereldwijde succes van haar ‘Vijftig tinten grijs’ – meer dan 65 miljoen verkochte exemplaren – is erotische literatuur salonfähig geworden. Niemand kijkt er nog van op als je aan de dis met vrienden het nieuwste master and servant-rollenspel met je partner uit de doeken doet. Aan sociologische bespiegelingen over het verschijnsel (én over mislukte vrouwenemancipatie) gaan we ons hier niet wagen – dit is tenslotte een literaire rubriek – maar zoveel is zeker: de ooit zo bedeesde Vlaming maakt een inhaalslag en popelt om zijn knellende, oude seksuele gewaden af te leggen.

‘Om van te kotsen’

Het onvermoede succes van de mainstream-BDSM van ‘Fifty Shades of Grey bracht uitgevers natuurlijk op ideëen. De meesten kwamen aandraven met nog flauwere derivaten. Maar de slimsten onder hen gingen grasduinen in de betere literaire erotica. Uitgeverij Lebowski richtte daarbij – geheel terecht – de blik op Frankrijk. Nergens vinden roeden en vulva’s immers een literair verantwoorder bedding dan bij onze Zuiderburen, van pakweg Rabelais via Markies de Sade tot Georges Bataille, Cathérine Millet en Michel Houellebecq. Lebowski haalde de memorabele SM-klassieker ‘Histoire d’O’ (1954) van Pauline Réage vanonder het stof, in de nog steeds voortreffelijke vertaling van Adriaan Morriën. Na herlezing besef je hoezeer Réage met deze merkwaardige parabel E.L. James degradeert tot een derderangsschrijfster in het SM-genre. “Onzedelijkheid is zo zelden zo onbevlekt bezongen”, noteert francofiel Bart van Loo in zijn ‘O vermiljoenen spleet!’ (2010) over ‘Het verhaal van O’.

De roman van Réage, waarin een vrouw zich vrijwillig blootstelt aan de totale seksuele vernedering als teken van ultieme liefde, veroorzaakte destijds schandaal, maar kon steeds aan een verbod ontkomen. De katholieke schrijversvorst François Mauriac vond het nochtans “literaire zeden om van te kotsen.” En in 1969, toen het boek in Nederlandse vertaling uitkwam, sprak feministe Andreas Burnier van een “literaire brok super-fascisme” en “masturbatiestof voor heren”, getuigend van “een SS-mentaliteit.” Ook Erica Jong, auteur van het vrijpostige ‘Het ritsloze nummer’, betitelde het boek als “walgelijk.”

Mystificatie

Toen was nog niet bekend dat zich wel degelijk een vrouw achter het pseudoniem verschool. Pas in 1994 onthulde Réage in een gesprek met The New Yorker dat haar alter ego Dominique Aury (1907-1998) verantwoordelijk was voor de intussen wereldwijde bestseller. Onder die naam was zij al vanaf de jaren dertig literair actief en speelde ze een vooraanstaande rol  bij uitgeverij Gallimard. Aury – om de mystificatie compleet te maken – heette trouwens in werkelijkheid Anne Desclos en bleek een onopvallende, wat timide vrouw, die je niet meteen met SM zou associëren. ‘Histoire d’O’ kreeg een introductie van de Franse schrijver en Sade-kenner Jean Paulhan, die in ‘Le Bonheur dans l’esclavage’ vurig de verdediging opnam en het “la plus farouche lettre d’amour qu’un homme ait jamais reçue” noemde. Geen wonder. Hij bleek de aanstichter van de roman. Aury had een geheime seksuele relatie met Paulhan, die ooit beweerd had dat vrouwen geen erotische romans konden schrijven. Toen er een einde dreigde te komen aan de affaire, zette Aury al haar literaire krachten in om te tonen dat ze het wél kon. En met het duistere onderwerpingsrelaas van ‘Histoire d’O’, hààr liefdesbrief,  wist ze Paulhan alsnog voorgoed aan zich te binden.

‘Elk ogenblik toegankelijk’

Het  verhaal van O – in 1975 matig verfilmd door Just Jaeckin – is anno 2013 nog steeds een behoorlijk ontregelende leeservaring. De roman plaatst zich ondubbelzinnig in de traditie van ‘Venus im Pelz’ (1870) van de Oostenrijker Leopold von Sacher-Masoch, de beruchte naamgever van de lust om pijn te doen. Het hoofdpersonage stemt in met seksuele slavernij, zij het dan tijdens strak geregisseerde rituelen. O, een fotografe in een modestudio, wordt herleid tot een lichaam dat steeds klaar moet staan om genot te verschaffen, als signaal van overgave. “Pauline wordt een O, een opening én een nul. Rond en leeg”, zoals het tijdschrift Les Inrockuptibles het onlangs schreef in zijn special ‘50 nuances de livres érotiques’. Mond, kut en achterwerk van O moeten “voortdurend en elk ogenblik toegankelijk zijn”, om het geslachtsdeel van een man te ontvangen.

Vanaf het moment dat ze door haar minnaar René (die ze mateloos vereert) naar een kasteel in Roissy is gebracht, wordt Pauline als het ware geestelijk en fysiek ontmanteld. Daar kunnen vier gemaskerde heren zich aan haar lichaam verlustigen, zo vaak ze dat willen. Als afgezanten van René, hun pikken als het ware verlengstukken van zijn liefde. Of René haar ook neemt, weet ze niet altijd. “Aan de blikken, handen en geslachtsdelen overgeleverd, onder de striemende slagen van de zweep, stortte zij zich in een vervoering waardoor zij ieder besef van zichzelf verloor en zich, misschien meer dood dan levend, geheel aan de liefde overgaf.” Loepzuiver, in fijn geciseleerde zinnen, beschrijft Réage hoe O zich opoffert, hoe ze geketend, geranseld en misbruikt wordt. De mannen (en knechten en assistentes) bereiden haar voor op sodomie, door een stang in te brengen die haar achterste opening systematisch verwijdt. Ze draagt lederen hals- en armbanden, waarmee men haar in een oogwenk kan ketenen. Haar smalle corsage benadrukt de vrijgelaten borsten waarvan de tepelkringen rood zijn aangezet. Na twee weken is ze voorgoed het publieke bezit van de kasteelheren, die ze niet mag aankijken, en krijgt ze een zegelring om de vinger, als geheim teken van haar nieuwe willoze status. Het is Sir Stephen, René’s Engelse stiefbroer, die de vernederingen en folteringen van O verder zal opschroeven, als een soevereine God de Vader. Hij zal haar brandmerken en uitlenen en haar geslacht doorboren, tot ze aan het eind, als trofee en “aanschouwelijk bewijsmiddel” geëxposeerd wordt op een bal. Haar uiteindelijke lot is onzeker, pleegt ze zelfmoord?

Aan zichzelf ontkomen

De opoffering van O krijgt in deze roman welhaast mystieke en religieuze dimensies. De referenties aan het kloosterleven zijn dan ook talrijk, haar boetedoening heeft zowel iets ascetisch als extatisch. De ranselingen bezorgen haar gekoesterde stigmata, net als de markering met roodgloeiend ijzer. Toch heeft het verhaal van O iets genadeloos kils, ondanks het woord ‘liefde’ dat O veelvuldig fezelt. Het boek is gaandeweg een verkenning van de meest donkere krochten van de seksualiteit (al gaat markies De Sade weliswaar nog een stap verder). Hoe meer O vernederd wordt, hoe geborgener zij zich voelt. “Dat zij in waardigheid toenam, doordat zij werd onteerd, was verwonderlijk, maar daarom niet minder waar”, staat er. Maar tegelijk wil ze “aan zichzelf ontkomen”,  zoals Adriaan Morriën het in zijn nawoord uit 1969 omschrijft. De krachttoer van Réage is dat ze de weliswaar eenzijdige verhoudingen tussen O en haar dominante minnaars geloofwaardig maakt, mede door haar zeer pure en uiterst beheerste stijl. Nét die maakt de pornografische ‘ontketening’ zo prangend. Bij momenten lees je trouwens een voorafspiegeling op wat Catherine Millet ervaarde in ‘Het seksuele leven van Cathérine M.’: een heilzaam identiteitsverlies door anonieme, vluchtige seks in gangbangs.

“Ik voorspel dat over honderd jaar ‘Histoire d’O’ nog steeds gelezen wordt, terwijl ‘Vijftig tinten grijs’ vergeten zal zijn”, schrijft Raymond van den Boogaard in zijn heldere voorwoord. Ik sluit me daar volmondig bij aan. De beste erotische literatuur is nu eenmaal tomeloos subversief en legt een troebel universum bloot, waarin het maatschappelijke corset compleet wordt afgelegd.

Dirk Leyman

[ ‘Het verhaal van O’ – Pauline Réage.  Uitgeverij Lebowski, 216 pagina’s, vertaling Adriaan Morriën, voorwoord Raymond van den Boogaard]

Wat vindt/vond u van ‘Het verhaal van O’? Reageer hier onder, en maak kans op een exemplaar van de volgende klassieker die Dirk Leyman eind april ‘recycleest’: ‘Tussen de bedrijven’ van Virginia Woolf, in een vertaling van Erwin Mortier.

Het verdriet van België – Hugo Claus

28 / 02 / 2013

De weerbarstigheid van een magnum opus. Hugo Claus en ‘Het verdriet van België’

Door Dirk Leyman

‘Het verdriet van Belgie’ is een mer à boire, waarin het makkelijk verdrinken is. Recyclezer Dirk Leyman gaat net niet kopje onder. Een uitgebreide onderdompeling in het universum van misschien wel de beroemdste Vlaamse roman, precies 30 jaar oud.

Toen Hugo Claus op 17 maart 1983 in de Gentse Hotsy Totsy met veel bombarie Het verdriet van België’ te water liet, was dat een literair evenement van de grootste orde. Le tout Gand tekende present en Hugo Camps en Cees Nooteboom bliezen er de loftrompet. Voor de gelegenheid had broer Guido zijn privéclub met rouwkransen en Belgische vlaggen opgetuigd. Televisie en radio rukten massaal uit om de Clausmanie te capteren, uitgeverij De Bezige Bij klopte overuren én de boekhandels kregen stapels van de 774 pagina’s tellende familiesaga te verstouwen. De critici waren voor het merendeel extatisch in hun oordelen, op felle wanklanken in De Standaard en NRC Handelsblad na. Claus liet zich de heisa met keizerlijke allures aanleunen. Aimabel en ironisch stond hij de horden journalisten te woord. Nu is Claus vijf jaar dood en Het verdriet van België dertig jaar oud.

De kroniek van een aangekondigde bestseller, zo kon je de lancering wel noemen. Anno 2013 zijn circa 350.000 exemplaren van ‘Het Verdriet van België’ verkocht (and still counting). Claus oogstte lauwerkransen, de Staatsprijs en Prijs der Nederlandse Letteren, wereldwijd vertalingen tot in het Grieks toe én een plaats in de Penguin Classics. Tegelijk, zo wees een Radio1-enquête uit, prijkt het boek bovenaan de lijst van meest ongelezen Vlaamse romans. Na 200 pagina’s haken nogal wat lezers gedesoriënteerd af in deze groots opgezette Bildungsroman over Louis Seynaeve, tegen het decor van de Tweede Wereldoorlog en sluipende collaboratie, vol kakelende dialogen én tegelijk leugenachtig zwijgen. Het opmerkelijke, artificiële Zuid-Nederlands, een taalregister door Claus zelf getypeerd als een ‘soort Esperanto’, heeft dan ook iets weerbarstigs.

Literaire grootindustrieel

De toen 54-jarige Claus was op het moment van verschijning incontournable in de Nederlandstalige literatuur en ver daarbuiten. Hij had zijn strepen verdiend als toneelauteur, prozaïst en dichter én mocht misschien wel de meest glamoureuze schrijver van zijn generatie worden genoemd. Altijd in de schijnwerper, immer gewapend met bon-mots, gefêteerd en verguisd, zowel schenenschopper als speelvogel. “Een literaire grootindustrieel”, zo noemde W.F. Hermans “Paus Claus” ooit met enige jaloersheid. Remco Campert omschreef zichzelf dan weer als “zijn weerloze fan”. Claus zelf had het effect van Het verdriet van België enigszins voorzien, al hield hij er lang de spanning in of hij het werk ooit zou kunnen voltooien. Achteraf toonde hij zich nuchter én voldaan over zijn tour de force: “Als ik zeg dat Het verdriet van België een droom is die in vervulling is gegaan, lijkt het alsof enkele aartsengelen zich daarmee gemoeid hebben. Het boek is het product van mijn eigen wilskracht en talent”, vertelde hij in De Spectator. En vergeleken met Dante, Shakespeare en Faulkner, zijn literaire meesters, was dit eigenlijk nog peanuts, vond Claus.

Panache en protserigheid

Dertig jaar eerder had Claus de eerste kiem gezaaid van zijn magnum opus, waarvan de titel spoedig een emblematische lading kreeg en te pas en te onpas is gebruikt, bijvoorbeeld bij moeizame Belgische regeringsvormingen. Het embryo van ‘Het verdriet van België’ is terug te vinden in de verhalenbundel ‘Natuurgetrouwer’ (1955), meer bepaald in de ‘Bijdrage tot Vlaamse auteurs over hun voorouders’, waar zelfs al op de titel gealludeerd wordt, zo ontdekte Claus-kenner Georges Wildemeersch. Geleidelijk aan begon Claus aantekeningen te maken voor het boek waarmee hij alles en iedereen wilde overtreffen, tot hij een eerste versie ontevreden aan de vlammen prijsgaf. “Met panache en protserigheid” kondigde hij het boek al in de jaren zestig aan in interviews,  reconstrueerde Mark Schaevers. Pas zes jaar voor verschijning nam Claus het boek echt ter harte.  In een  interview met Jan Brokken zei hij: “Dat Grote Boek wordt mijn familieroman. Niet letterlijk natuurlijk, het wordt geen biografie van mijn familie, maar het zit er een beetje tegenaan. Mijn vader was de oudste van zestien kinderen en mijn moeder komt uit een gezin van twaalf kinderen: je kunt je voorstellen dat dat een heel reservoir aan gebeurtenissen en belevenissen is.” Maar ‘Het verdriet van België’ zomaar als een autobiografische roman lezen, doet het zwaar oneer aan. En passant zette Claus met duivels plezier de conventies van de streekroman volledig op zijn kop.

‘Toujours sourire, le coeur douloureux’

‘Het verdriet van België’ is een mer à boire, waarin een argeloze lezer makkelijk kopje onder kan gaan, misschien ook door de taalexuberantie, de intertekstualiteit, de  talloze dubbele bodems en knipogen, volgens Claus “de armzalige krukken waarop mijn narratief zich voortbeweegt”. De complexe roman, met niet toevallig het schilderij ‘Muziek in de Vlaanderenstraat’ van James Ensor op de cover, volgt de schrander observerende, vroegrijpe Louis Seynaeve tijdens de jaren 1939-1947. Het is een turbulente, verwarrende periode waarin de puber met flaporen zich ontwikkelt tot een voortvarende schrijver: “Ik ga schrijver worden lijk Cyriel Verschaeve en Guido Gezelle”, laat hij zich ontvallen.  Louis, door Zuster Econome ‘Owietje’ genoemd, ontworstelt zich aan de benauwende greep van het nonneninternaat in Haarbeke (het ‘Gesticht’) en het College (met priester-leraar en jezuïet ‘De Kei’) terwijl zijn middenstandsfamilie zich in de zwarte zone van de collaboratie begeeft. Het ‘verzonnen’ maar nauwelijks gemaskeerde decor is het provinciestadje Walle, waar Kortrijk model voor stond. Louis zoekt een identiteit in een verwarrende tijd en moet zich weren tegen zowel school, clerus en andere instanties met het autoritair zwaaiende vingertje.  Ketters en duivels, seksualiteit en zonde, een oorlog die in de verte doorzindert, het is een explosieve cocktail. Welke morele maatstaf te hanteren? Waar ligt de grens tussen immoraliteit, het zich bedienen van leugens en het verlies van onschuld? Uiteindelijk zal Louis een autonomere koers varen, zijn survival-kit ontwikkelen en zich afsluiten voor de geestelijke druk. Niet toevallig is zijn leitmotief ‘Toujours sourire, le coeur douloureux’ uit de operette Het land van de glimlach. Of het goed met hem afloopt, blijft onbestemd.

Spotzieke portretten en familietableaus

Claus’ roman zou je in eerste instantie kunnen lezen als een frontale aanval op het katholieke, behoudsgezinde Vlaanderen, altijd gebrand op een eigen voordeeltje. Een bekrompen gemeenschap die zich tijdens WO II laat verblinden door de Groot-Dietse gedachte, zich niet realiserend hoe verstrekkend de consequenties van deze houding zijn. Twee familieleden van Louis (Tante Violet en Nonkel Armand) worden na de oorlog opgepakt voor collaboratie. De hypocrisie, de kleinburgerlijkheid, het beklemmende flamingantisme: het meandert in talloze schakeringen door de hele roman, door Claus met veel coloriet opgetekend. ‘Het verdriet’ wemelt trouwens van de spotzieke maar tegelijk rake én meedogende portretten van nonnen en priesters.  En van familietableaus, waarin – zelfs in tijden van oorlogsschaarste – geschranst en getafeld wordt tot het jus van de lippen loopt.

Toch is een thematische, politieke herlezing (net als een strikt autobiografische) een sterke verenging van de roman. Het klopt wat Marc Reynebeau in 2008, bij de 25-ste verjaardag van Het verdriet’, opmerkte. Claus is hier geen moralist, maar toch in de eerste plaats een romancier, een taalkunstenaar: “Claus gebruikt zijn roman niet als vehikel voor privémeningen en nog minder om brevetten van goed en kwaad uit te delen.” Het moet zijn dat Claus’ reputatie als papenvreter de receptie van het boek destijds zeer overschaduwde. Want de schrijver ‘oordeelt’ minder dan je zou vermoeden. Bovendien zet Claus zijn boek in de structuur compleet op losse schroeven. Deel 1 van ‘Het verdriet’ is nog van een, nou ja, zekere overzichtelijkheid (een legpuzzel met in elkaar grijpende taferelen in 27 hoofdstukken). In deel 2 ‘Van België’, gaat de taal desintegreren, welhaast een fragmentatie à la James Joyces ‘Ulysses’. Maar verkijk je niet op de gewiekste compositie van deze mastodont. Claus stelt zelfs zijn eigen werkstuk in vraag, vol superieure ironie. Wanneer Louis voor een prijskamp van Het Laatste Nieuws de novelle ‘Het verdriet van België’ indient, laat de jury weten: ‘Maar te lang, veel en veel te lang, het is gedorie…Tegenwoordig noemt men dit roman, jazeker.” Het is alsof Claus anticipeerde op de recensie van K.L. Poll in NRC die Het verdriet “een te lang aangehouden klaagzang” noemde.

Wellicht kijken we nu ook – alweer dertig jaar later – met veel meer distantie naar deze collaboratiegeschiedenissen en lezen we Het verdriet van België’ onbevangener. Zo springt de queeste van Louis naar “een vastomlijnde plaats, een nestelholte in de werkelijkheid” meer in het oog, zoals Erwin Mortier het in De Standaard in 2008 vaststelde. Bovenal blijkt dat Het verdriet van België’ als taalkathedraal nog niet aan een restauratie toe is. Al wordt deze bij momenten groteske roman ook een toren van Babel. “Bij Claus is de tael niet gansch het volk, het volk is al zijn talen: een zegen, maar ook een pest.” Net daarom noemt Mortier Het verdriet van België’ “een auditief schilderij van Bruegel of Bosch”, waarin het hogere wordt nagestreefd, “maar men niet vies is van het lagere.”

Dirk Leyman

Zopas verscheen de 35-ste druk van ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus bij De Bezige Bij, vergezeld van een ‘Kleine encyclopedie van het verdriet’. Ook wordt eerstdaags een boek voorgesteld over Claus en de politiek (‘De plicht van de dichter’ , onder redactie van Georges Wildemeersch en Kevin Absillis) en een Claus-hommage van Marc Didden, bij De Bezige Bij Antwerpen.

Wat vond of vindt u van ‘Het verdriet van België’? Reageer hieronder en maak kans op een exemplaar van de volgende klassieker die Dirk Leyman in maart “recycleest”: ‘Histoire d’O’ van Pauline Réage.

‘Trots en vooroordeel’ – Jane Austen

28 / 01 / 2013

Een man als slagroom op de appeltaart

Precies tweehonderd jaar geleden vergastte Jane Austen ons op ‘Trots en Vooroordeel’. Wist zij veel dat ze met de romance tussen de verwaande Mr. Darcy en de slimme Elizabeth de wereld aan haar voeten zou krijgen. Recyclezer Dirk Leyman raakt gegrepen door de tijdloze ‘esprit’ van Austen.

Darcymania

Als je de status van onverslijtbare klassieker zou afmeten aan het aantal bewerkingen, verfilmingen of spin-offs, dan is ‘Trots en vooroordeel’ (1813) van Jane Austen zonder twijfel dé primus inter pares. Regisseurs én schrijvers vergrijpen zich nog steeds aan het complexe liefdesparcours van de schijnbaar ongenaakbare Mr. Fitzwilliam Darcy en de bevooroordeelde Elizabeth Bennet. De kans is groot dat ook u zich overgaf aan de film van Joe Wright uit 2005, met Keira Knightley en Matthew MacFadyen in de hoofdrollen. Of misschien was u eerder verslingerd aan de prestigieuze zesdelige BBC-serie uit 1995 met Colin Firth, die in Groot-Brittannië tot een ware Darcymania leidde?

Er is zowaar een Jane Austen naar ieders heug en meug. De Engelse schrijfster Emma Tennant pende met ‘Pemberley or Pride and Prejudice continued’ (1993) zelfs een vervolg op de turbulente geschiedenis van het liefdespaar. Ook Helen Fielding borduurde in haar succesvolle ‘Bridget Jones’ Diary’ (1997) gezapig voort op ‘Trots en vooroordeel’. Wie behoefte heeft aan een freaky variant, kan dan weer terecht bij de zombieversie uit 2009 van ene Seth Grahame-Smith.

De vlieg op de muur

Zoveel is zeker, met haar ‘comedy of manners’ beroerde de vroeggestorven Jane Austen (1775-1817) een universele snaar. Op haar dooie eentje gaf de teruggetrokken schrijfster de romantische fictie een flinke injectie, die twee eeuwen later nog bijlange niet is uitgewerkt. Geen wonder. Haar romans, waaronder haar beroemde debuut ‘Sense and Sensibility’ (1811) en ‘Emma’ (1816), zijn in hoge mate entertainend. Maar onder die schutlaag vol oer-Engelse wit schuilt een rijke emotionele diepgang, aangedreven door welbespraakte personages. Austen – die een groot Shakespeare-adepte was – hield bovendien van een toneelmatige aanpak, vol levendige tableaus én gevatte dialogen. “She is like a bright-eyed, sharp tongued relative sitting in a corner of the room watching the rest of the family bustle”, zo noteerde Engelse criticus Kenneth McLeish raak. Austen was de alles registrerende fly on the wall, tenminste inzake liefdeskwesties en familie-aangelegenheden. Maar niet iedereen is overtuigd van haar kwaliteiten. “Heb je er één gelezen, dan heb ze je allemaal gelezen,” beweren Austen-haters, die zich ergeren aan de ongetrouwde-zusjes-op-zoek-naar-een-man waarvan het in haar romans wemelt”, zo merkt Pieter Steinz in zijn ‘Lezen etcetera’ op. In haar bij leven anoniem gepubliceerde romans serveert “the good and quiet aunt Jane” – na veel tribulaties – telkens weer een happy end. Zelf raakte ze niet van de straat.

Het huwelijk als ultieme beloning

Maar valt dat nu nog wel te pruimen, deze niet te temperen huwelijksdrang, om uiteindelijk sociale status en economische zekerheid te bemachtigen? En hoe rijm je dat met het feministisch daglicht waarin het boek steeds is blijven staan? De openingszin van ‘Trots en vooroordeel’ is al een boutade op zich én getuigt van de wendbare esprit van Austen. Hier keert ze de rollen gewiekst om: “Het is een algemeen aanvaarde waarheid dat een alleenstaand man met een flink vermogen een vrouw nodig heeft.” Het verhaal ontbrandt in de schoot van de familie Bennet. Mevrouw Bennet zet alle zeilen bij wanneer ze verneemt dat er twee rijke, perfect huwbare jongemannen vlakbij komen wonen. “Haar doel in het leven was het aan de man brengen van haar dochters. Haar troost bestond uit visites en nieuwtjes.” De niet al te snuggere Mevrouw Bennet zorgt met haar doordrammerige koppelarij voor de komische noot in ‘Trots en Vooroordeel’. Maar haar vijf dochters zijn eigenzinniger dan ze denkt én liefde valt niet zomaar te plannen.

Eerst worden de pijlen gericht op de vermogende en knappe meneer Bingley met “zijn aangename, ongedwongen manieren” en spontaneïteit op de balvloer. Later komt zijn vriend Mr Darcy in het vizier, meer bepaald bij de tweede dochter Elizabeth. Elizabeth is niet de mooiste van de vijf zusjes, maar wel de slimste en de meest speelse. Aanvankelijk wordt Darcy weggezet als “de hooghartigste, onprettigste man ter wereld”. Hij poeiert Elizabeth af op een danspartij met de beroemde woorden: “Ze kan er mee door, maar is niet mooi genoeg om mij in verleiding te brengen”. En hij loopt evenmin hoog op met de Bennet-kliek.

Een keten van misverstanden én intriges ontvouwt zich vervolgens in een suspenserijke plot, met een rist kleurrijke nevenpersonages, zoals de flirtzieke Lydia of de hypersnobistische Lady Catherine de Bourgh. Gaandeweg blijkt dat het water tussen Mr. Darcy en Elizabeth minder diep is dan eerst gedacht, al moeten er ferme obstakels overwonnen worden. Elizabeth probeert hem te ‘temmen’ en wijst hem op de gevolgen van zijn hardvochtig gedrag, ook tegenover haar zus, én gooit hem soms onbeschoft van alles voor de voeten. Terwijl ze daarmee bezig is, raakt ze werkelijk verliefd op hem. En vice versa. Hij ontdekt haar sprankelende geest en schoonheid én komt met zijn gevoelens over de brug. Evident is dat niet. De liefdesmarkt is nu eenmaal een mijnenveld. Maar als je er heelhuids doorkomt, maak je kans op de ultieme beloning. Bij Austen is dat een huwelijk.

Scherpe karakters en uitspraken

De finesse én houdbaarheid van ‘Trots en Vooroordeel’ ligt in de – voor die tijd – erg geloofwaardige karakters. Die zijn bovendien bijzonder goed van de tongriem gesneden. Om de haverklap legt Austen haar personages bon mots in de mond, genre: “Voor een huwelijk is genegenheid wel wenselijk, maar geld is absoluut onmisbaar.” Er zit ook opvallend veel vaart in het boek (al zou je een enkele keer wél een passage willen skippen). Redenen genoeg voor die niet aflatende populariteit bij film- en televisiemakers.

Niets nieuws onder de zon

En hoe zit het ten slotte met dat veelgeprezen feministisch tintje? Dat Austen met Elizabeth een onafhankelijke geest en schrandere vrouw opvoerde, staat buiten kijf. Ze laat zich niet zonder slag of stoot voor de huwelijkskar spannen. Er gaat een langdurig denkproces aan vooraf, gestuurd door oprechte gevoelens. Maar uiteindelijk is zij geen activiste, ze blijft noodgewongen binnen de limieten van haar tijd. Ligt het anno 2013 zoveel anders? Ciska Dresselhuys, die het nawoord schreef bij de Perpetua-uitgave van Trots en Vooroordeel, vat het misschien wel perfect samen: “Vrouwen zullen altijd van mooie jurken, knappe mannen en romantiek houden, maar dan wel liefst met een eigen bankrekening, een zelfstandige baan en een goedgevulde portemonnee in de eigen damestas. En dan nog een mister Darcy erbij, als slagroom op de appeltaart.”

Dirk Leyman

Jane Austen, Trots en Vooroordeel is zojuist herdrukt als Dwarsligger. Het boek verschijnt bij Atlas-Contact op 15 februari in een ‘gewone’ heruitgave (vertaling H.E. Van Praag-Van Praag). In de Perpetua-reeks verscheen Trots en Vooroordeel al eerder bij Athenaeum/Polak & Van Gennep, in een vertaling van Annelies Roeleveld en Margret Stevens.

Wat vindt u van ‘Trots en vooroordeel’? Reageer hier online en maak kans op een exemplaar van het volgende boek dat de Recyclezer onder handen neemt, volgende maand: ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus.

Alexandr Poesjkin – Jevgeni Onegin (1833)

27 / 12 / 2012

‘Zwammen in het oneindige’

Alexandr Poesjkins klassieker ‘Jevgeni Onegin’ geldt als een eeuwige parel aan de kroon van de Russische letteren. Maar is een roman in 370 berijmde coupletten nog wel genietbaar? Dat valt verduiveld goed mee, vindt recyclezer Dirk Leyman.

De Russische literatuur heeft het patent op volumerijke romans waar je weken mee van de straat bent. Wie heeft zich nooit – al dan niet noodgedwongen – ondergedompeld in de duizenden pagina’s van ‘Oorlog en vrede’ en ‘Anna Karenina’ van Lev Tolstoj? Of zette met reinste huzarenmoed ‘Schuld en boete’ van Fjodor Dostojewski op zijn leesmenu? Mateloosheid zit ingebakken in de Russische ziel.

Dat het ook compact en puntig kan, bewees Alexandr Poesjkin (1799-1837). De man die als “de Zon van de Russische poëzie” de tijd trotseerde, leverde met ‘Jevgeni Onegin’ (1833) zijn meesterproef af en had daarvoor amper tweehonderd pagina’s nodig. Poesjkin zorgde zo voor een kentering in de Russische literatuur én kondigde – in de hoogtijdagen van de romantiek – het realisme aan. Hij spotte met de heersende conventies en had het regelmatig aan de stok met de censuur. Toch is deze roman in verzen evengoed een festijn vol uitweidingen, nevensprongetjes en commentaren op de toenmalige Russische samenleving, “een encyclopedie van het Russische leven”, zoals de destijds machtige literaire criticus Vissarion Bjelinski het boek vatte. Nochtans heeft de (liefdes)geschiedenis van Jevgeni Onegin weinig om het lijf. Het belette niet dat Jevgeni Onegin en zijn Tatjana uitgroeiden tot emblematische personages in de Russische letteren. De reden ligt voor de hand: de onorthodoxe roman tintelt van het inventieve taalgebruik, heeft een doordachte structuur én bezit toch een duivelse vaart. Bovendien speelt Poesjkin voortdurend haasje over met de verteller, met Onegin en met zichzelf. Onegin is nauwelijks versluierd autobiografisch.

Dandyeske edelman
Met wat goede wil kun je de plot van Jevgeni Onegin op een sigarettenvloeitje kwijt. Jevgeni Onegin is een dandyeske en flirtzieke edelman die niets liever doet dan de bals en society-evenementen van Sint-Petersburg af te schuimen. Iets wat hij gemeen had met Poesjkin zelf, die zijn lummelende ambtenarenbestaan vaak ontvluchtte om zich te verstrooien in het mondaine leven. Maar Onegin raakt gaandeweg verveeld. ‘Spleen’ en melancholie teisteren hem. Hij zoekt zijn heil op het platteland, mede door een erfenis die hem in de schoot valt. Daar raakt Onegin verwikkeld in amoureuze esbattementen met de dochters van de buren: Olga en Tatjana. Olga huwt de dweperige dichter Lenski, terwijl Tatjana verliefd wordt op Onegin. Maar wanneer het bleke, veellezende schepsel hem een brief stuurt waarin ze hem de liefde verklaart, wijst Onegin haar af. Later gaat Onegin Olga kortstondig het hof maken, wat tot een duel leidt met Lenski, die daarbij het loodje legt (Poesjkin zal trouwens zélf om het leven komen bij een duel met een rivaal). Onegin verkast weer naar Sint-Petersburg en stuit daar opnieuw op Tatjana, intussen gehuwd met een generaal én opgepimpt tot een aristocratische madame. Nu wordt Onegin op zijn beurt verliefd, maar krijgt hij het deksel op de neus. Te vroeg, te laat? Timing is alles in de liefde, zo blijkt maar weer. lees meer …

De avonturen van Alice in Wonderland – Lewis Carroll (1865)

17 / 11 / 2012

‘Ik ben mezelf niet, snapt u?’ – De avonturen van Alice in Wonderland

Het zijn de briljanten van je boekenkast, literaire klassiekers die je koestert als een goudschat. Toch staan ze al jarenlang stof te vergaren én loop je er achteloos aan voorbij. Cobra.be helpt je van dat knagende schuldgevoel af. Recyclezer Dirk Leyman blaast het stof van de wereldliteratuur en redt maandelijks een meesterwerk van de vergetelheid. Deze maand: De avonturen van Alice in Wonderland (1865).

Weinig kinderverhalen wisten zich zo diep in het collectieve geheugen van volwassenen te nestelen als De avonturen van ‘Alice in Wonderland’ (1865) en het vervolgboek ‘Achter de spiegel & Wat ik daar aantrof‘ (1872). Bovendien zijn beide boeken een nimmer opdrogende inspiratiebron voor kunstenaars van allerlei pluimage. Niet kwaad voor een op het eerste gezicht volkomen nonsensicale fantasie over een meisje dat door een konijnenpijp tuimelt én daar een parallelle dierenwereld ontdekt.

Inspiratiebron

Zo raakten de surrealisten, onder wie Salvador Dali en ook René Magritte, verslingerd aan het wonderbaarlijke universum van Alice, waarin alle normale wetten met voeten worden getreden. Later vergrepen ook de Pop Art en de psychedelische kunst zich aan het waanwijze kind, verzeild tussen eigengereide dieren én wezens. En dan zwijgen we nog over de talloze verfilmingen, de Alice-popsongs, de interactieve games, de Disneyversies én de musicals: zelfs meidengroep K3 ging er vorig jaar mee aan de slag. Alice is volkomen losgezongen van haar schepper Lewis Carroll (pseudoniem van Charles Lutwidge Dodgson, 1832-1898). Tegen wil en dank werd ze één van ’s werelds lucratiefste merchandisingiconen. lees meer …

Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984)

22 / 10 / 2012

Elk tijdperk heeft zijn hypes, zijn onverwachte bestsellers, zijn plotse stormloop op de boekhandel. Vandaag gaat de lezer massaal overstag voor de erotische kunstjes in ‘Fifty shades of grey’, tot voor kort wilde iedereen meethrillen met Stieg Larssons ‘Millenium’-trilogie én daarvoor kon je geen receptie overleven zonder een balletje op te gooien over Dan Browns ‘Da Vinci Code’. Het is de ijzeren wet van de megaseller: iedereen praat graag mee over het boek van het moment, wat de verkoop enkel nog méér aanjaagt. Helaas. Of dit trio het ooit tot de status van literaire klassieker zal schoppen, is meer dan twijfelachtig.

In 1984 lagen de kaarten wel even anders. Toen raakte half Europa mateloos verslingerd aan de vijfde roman van een nog tamelijk onbekende Tsjechische auteur. Milan Kundera (Brno, 1929) ontvluchtte zijn vaderland in 1975, tijdens de hoogdagen van de Koude Oorlog, en stuurde vanuit zijn Parijse exil een merkwaardig boek de wereld in. Liefde en seks, filosofie en politiek, gevoel en rede reikten er elkaar moeiteloos de hand. ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, behendig gestuurd door een postmoderne verteller die met de perspectieven van zijn vier hoofdpersonages goochelt, leek een onmogelijke bestseller. Maar gaandeweg zag je in stadsparken, in universiteitsaula’s én in kroegen jongeren waanwijs pronken met deze 350 pagina’s tellende roman, die in Tsjechoslowakije tot verboden lectuur was uitgeroepen. Méér zelfs: de titel kreeg in het hedendaagse taalgebruik razendsnel de status van staande uitdrukking. ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ is een passe-partoutbegrip geworden, op voorwaarde dat je er wat peinzend bij kijkt. Men kan de frase verzuchten in een melancholische bui, wanneer het leven ons futiel door de vingers glipt. Evengoed komt ze van pas wanneer de dagen zich onverwacht van hun lichtvoetigste kant tonen. Kundera haalt er in zijn boek de vernuftigste gedachtencapriolen mee uit. Wat valt er te verkiezen, lichtheid of zwaarte, “de geheimzinnigste en dubbelzinnigste van alle tegenstellingen”? Doorheen het boek schuift Kundera als een snelschaker met betekenissen. lees meer …