Radetzkymars – Joseph Roth

24 / 06 / 2014
door Dirk Leyman
Met Radetzkymars vestigde de tragische emigrantenschrijver Joseph Roth in 1932 voorgoed zijn faam. Als geen ander wist hij het onbehagen en de teloorgang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie te traceren in een roman vol haarfijne portretten. Maar amper één jaar na verschijning van deze instant klassieker werden zijn boeken door de nazi’s op de brandstapel gekeild.

Een beduimeld, enigszins schonkig mannetje. Het haar klissig tegen de schedel geplakt. Onfris ogend snorretje en uitpuilende ogen. Een fel gezwollen gezicht, stijf van de drank. Zo tonen de meeste foto’s ons de Oostenrijkse journalist en exilschrijver Joseph Roth (1894-1939). Desondanks wekken ze een unheimische sympathie op voor deze ongrijpbare zwerfkat, die verslaafd was aan het transitbestaan in hotels en zijn boeken schreef aan cafétafels over heel Europa, van Berlijn tot Wenen, Oostende, Amsterdam en Parijs. “Hij dronk in alle getijden uit dorst naar een eeuwige zomer”, zo dichtte Anton van Duinkerken, een van zijn Nederlandse vrienden, ooit. Niet voor niets heette zijn laatste boek ‘De legende van de heilige drinker’. De alcohol werd zijn ondergang. Tja, wat wil je? Joseph Roth torste bovendien ook de ineenstorting van het hele Europese continent op zijn tengere schouders. Deze eeuwige literair emigrant moest uiteindelijk op de loop voor de machtsgreep van Hitler, die hij als geen ander met een bang maar visionair oog had zien aankomen. “Als één schrijver voor mij het oude Europa belichaamt, dan wel Joseph Roth. Wat een droevig genot hem te lezen”, zo prees Benno Barnard hem ooit tijdens zijn Huizinga-lezing in 2002 over Roth. “Hij verkeerde op intieme voet met de ondergang, hij was een van de grootste connaisseurs van de ondergang die de twintigste eeuw heeft voortgebracht”, schrijft Arnon Grunberg, in zijn inleiding bij de Nederlandse vertaling van ‘Vlucht zonder einde.’

Inkt uit de poriën

Het lijkt erop alsof de groep Roth-bewonderaars de laatste tijd weer exponentieel toeneemt. Ook schrijvers als Geert Mak, Geert van Istendael, Tom Lanoye en Stefan Hertmans wijdden fraaie woorden aan Roth. Net als Claudio Magris en J.M. Coetzee. En Erwin Mortier typeerde hem als “een schrijver die als je zijn handen zou amputeren desnoods de inkt uit zijn poriën zou laten gutsen”. Sinds enige jaren komt Roths oeuvre weer systematisch beschikbaar in Nederlandse vertalingen, door de inspanningen die uitgeverijen Atlas/Contact en LJ Veen zich hebben getroost. Ook literair vertaalster Els Snick heeft zich in Roth vastgebeten. Ze promoveerde op het werk van Roth en bracht zo zijn turbulente verblijf in Vlaanderen en Nederland in kaart, neergeschreven in ‘Waar het me slecht gaat is mijn vaderland’ (2013). Dit voorjaar verscheen ook nog ‘Hotelmens’, een bundeling van krantenreportages en brieven waarin Roths verknochtheid aan hotels is gedocumenteerd. Zie onze bespreking hier op Cobra.be.

Mythomaan

Een verfomfaaid heertje met voorname manieren. Een mythomaan die de schulden opstapelde en zijn uitgevers tot wanhoop dreef met zijn gehengel naar voorschotten. Of een rusteloze man die merkwaardige politieke en ideologische paradoxen koesterde? Op Roth was niet zo meteen een pasklaar etiket te kleven. “Geen mens krijgt echt hoogte van Roth. Hoe serieus is, bijvoorbeeld, het geschwärm van deze Jood met het katholicisme, hoe gemeend de Habsburgse dromerij van deze voormalige socialist?”, noteert Mark Schaevers in zijn exilportret ‘Oostende, de zomer van 1936’. Maar Roth is vooral een pur sang schrijver, die met een paar pennentrekken onnavolgbare personages kon neerzetten en een aura van droefenis, mededogen, ironie en zelfs een vleug sentiment over zijn boeken kon draperen. Geschreven vaak ook met de jachtige gedrevenheid die een journalist eigen is. Roth had een broertje dood aan beschouwelijkheid of abstractie en gaf de voorkeur aan portrettering, atmosfeer en tastbare verslaggeving. Zijn productie was – ondanks zijn drankconsumptie – fabelachtig en het kostte biografen de grootste moeite om alles te inventariseren. De balans staat nu op dertienhonderd artikelen journalistiek werk, zestien romans, negentien novelles en talloze feuilletons en verhalen, waarbij titels als ‘De Kapucijnercrypte’, ‘Job’ en ‘Radetzkymars’ de illustere hoogtepunten vormen.

Pen als wapen en toverstaf

Joseph Roth werd op 2 september 1894 geboren in een verloren uithoek van het toenmalige Habsburgse rijk, in Oost-Galicië, dat hijzelf kenschetste als ‘het Siberië van het Habsburgse rijk’. Het gebied behoort nu tot de Oekraïne. Opgegroeid als Joodse halfwees nam hij na zijn studies in Wenen in 1916 dienst in het leger, waar hij uiteindelijk in Galicië als vaandrig diende. Na de oorlog begon hij er een stevig publicatieritme op na te houden, waarbij hij diverse Duitse en Oostenrijkse kranten als opdrachtgever had, soms ideologisch van een heel ander kaliber. Eerst in Wenen, waar hij “van Karl Kraus leerde wat een pen was: een wapen tegen domheid en boosaardigheid”, zo schreef Benno Barnard. “Hij sprong er effectiever mee om dan het Oostenrijkse leger met de bajonet. Maar anders dan bij Kraus was de pen in zijn hand ook een toverstaf, waarmee hij een voorbije wereld opriep.” Als journalist maakte hij snel furore, met reisreportages naar onder meer Rusland. Hij rotste geheel Europa af. “Zijn oeuvre ademt, als geheel, een typisch journalistieke combinatie van verbijsterend talent en richtingloze ijver”, zo vond bewonderaar Geert Mak in een essay uit 2010. Ondertussen was hij ook befaamd geworden voor zijn romans. Zijn eerste roman ‘Das Spinnennetz’ verscheen als feuilleton in de Weense Arbeiter Zeitung, maar als zijn officiële debuut geldt ‘Hotel Savoy’ uit 1924. Pas met ‘Job’ uit 1930 – over een berooide Galicische onderwijzer die naar Amerika trekt – beleeft Roth zijn finest hour, met zelfs vertalingen tot in de VS en een verfilming. En dan kwam ‘Radetzkymars’, dat al bij verschijnen in september 1932 een uitstekend onthaal kreeg en hoge verkoopcijfers haalde.

Maar toen Hitler aan de macht kwam in 1933 werd Roth persona non grata in Duitsland. Zijn boeken werden verboden en zijn inkomsten geconfisqueerd. Zijn grote train de vie verderzetten bleek onmogelijk. Roth zocht soelaas bij Nederlandse uitgevers en schooide om voorschotjes en geld, en vooral zijn elegante vriend Stefan Zweig fungeerde daarbij als gedroomde melkkoe. Roth stierf uiteindelijk aan de gevolgen van een delirum tremens in een Parijs armenhuis op 27 mei 1939. “Een te zwaar beladen boot, die zinkt als een baksteen”, zo luidde een visionaire omschrijving van Auguste, Roths favoriete portier in zijn Parijse hotel.

Definitief adieu

Met ‘Radetzkymars’ (1932) leverde Roth een roman af die de stuiptrekkingen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie (“das Kaiserliche und Königliche Reich”) als geen ander voorzag van een subtiel spinrag van melancholie. De geschiedenis van drie telgen van het geslacht von Trotta tijdens de periode 1859-1916 leest als “een lijkschouwing van het oude Oostenrijk”, om nogmaals Barnard te citeren. Het is een definitief adieu van een verzwindende wereld, een soort Last Post voor verkruimelende tradities en versleten gebaren, waar uiteindelijk een immense leegte van afstraalt. De personages zitten vast in een keurslijf van rituelen en formalisme, geharnast door opvoeding en maatschappijregels.

‘Radetzkymars’ verbluft vaak door de gedetailleerde manier waarop Roth zijn oog laat dwalen over zijn personages en over hun hebbelijkheden. Of over hun taalgebruik, zoals hier bij baron van Trotta und Sipolje, het districtshoofd: “Hij sprak het nasale Oostenrijkse Duits van de hoge ambtenaren en de lage adel. Het deed enigszins denken aan verre gitaren in de nacht, ook aan de laatste, lichte trillingen van wegstervende klokken, het was een zachte maar ook precieze taal, teder en boosaardig tegelijk.” Dat is bij momenten deze roman zelf ook. Schijnbaar welwillend en vol nostalgie, maar in wezen ook messcherp van inzicht én genadeloos. Dat de dubbelmonarchie uit elkaar zou vallen en verstard was, maakt Roth soms aangrijpend invoelbaar. Daarom zit ‘Radetzkymars’ vol subtiliteiten die de ineenstorting aankondigen. Of zoals Piet De Moor het vaststelde in Knack: “Velen hebben Joseph Roth een antimodernistische utopist genoemd omdat hij in ‘Radetzkymars’ de Habsburgse monarchie verheerlijkt zou hebben. Dat is niet juist. Op elke bladzijde voel je Roths treurnis omdat het keizerrijk zijn kansen niet heeft benut om iets groters, ruimers en verheveners tot stand te brengen.”

De leugen bestrijden

Magistraal zijn bijvoorbeeld de eerste honderd pagina’s waarin onder meer de Sloveense landwerker Joseph von Trotta tijdens de Slag van Solferino in 1859 de keizer van een gewisse dood redt, door hem tegen de aarde te drukken, waardoor hij zelf op het slagveld de kogel in zijn sleutelbeen incasseert. Toch overleeft hij en wordt hij vervolgens in de adelstand getild. Maar wanneer Joseph von Trotta ontdekt dat in de geschiedenisboeken de feiten danig zijn gemythologiseerd – hij zou op “een met zweet bedekte vos” zijn komen aanstormen, terwijl hij niet eens tot de cavalerie behoorde – ontploft hij. Hij gaat tot bij de Keizer op audiëntie om de leugen te bestrijden, ondanks alle lauwerkansen die de heldendaad hem opleverde. Hij heeft het gevoel dat de ooit zo eerbare dubbelmonarchie definitief van haar voetstuk is getuimeld. Al snel verlegt Roth de aandacht naar de zoon Franz, die tot districtshoofd opklimt, en kleinzoon Carl Joseph, een weekhartige, melancholische figuur. Om zo de vader-zoonrelatie in ronduit uitmuntende passages te vatten. Zo accuraat dat je regelmatig opveert van bewondering. Het districtshoofd laat elke zondag weer de Radetzkymars van Johann Strauss voor het plein voor zijn huis uitvoeren, een populaire hymne die Roth ooit zelf schamper wegwuifde als de ‘Marseillaise der Konservatismus’. Franz is gezagsgetrouw en mediocre, een toonbeeld van een beginselvast ambtenaar die niet buiten de lijntjes kleurt, doof voor de tekenen van verval. Bij Carl Joseph ligt het anders. Hij blijft weliswaar gebiologeerd door de grootvader maar beseft dat hij nooit echt in zijn voetsporen zal treden, ondans zijn militaire opleiding en klim tot officier – mede door de eretitels van zijn grootvader. “De nieuwsgierigheid van de kleinzoon draaide voortdurend rond de vergeten figuur en de verloren gegane roem van zijn grootvader”, schrijft Roth. Urenlang tuurt hij naar het schilderij van Joseph von Trotta om zijn trekken te bestuderen. Maar Carl Joseph Von Trotta aardt niet in de soldatenwereld en wordt er geconfronteerd met corruptie, indolentie en een uitgedoofde moraal.

Zijn dromerige natuur krijgt nog meer voeding wanneer hij wordt overgeplaatst naar Galicië, de meest verlaten streek van het Habsburgse rijk. Daar zet zijn verval onherroepelijk in. Drank en gokzucht krijgen hem in de greep. Twijfels over zijn militaire bestaan teisteren hem voortdurend. Toch wordt hij weer onder de wapenen gehaald, om bij de eerste oorlogsschermutselingen van de Eerste Wereldoorlog in weinig verheffende omstandigheden te sterven. Een betere metafoor voor de ‘Werdegang’ van het geslacht von Trotta valt niet te bedenken, temeer zijn vader hem met twee jaar overleeft en pas op hetzelfde tijdstip als de Keizer sterft.

Ambivalenties

‘Radetzkymars’ kost de moderne lezer wellicht enig aanpassingsvermogen. Maar eens je op sleeptouw bent genomen door Roth, wil je lang en breed vertoeven in deze roman vol ambivalenties, in zekere zin ook een weerspiegeling van Roths persoonlijkheid. Hoe hoog Roth de lat legde, blijkt uit het feit dat hij voor dit vrij traditioneel gestructureerde boek zijn journalistiek werk opzij zette en alle hens aan dek riep. “Roth deed voor het schrijven van zijn omvangrijkste werk iets wat hij nooit eerder had gedaan en ook later niet meer zou doen: hij maakte voorstudies en verdiepte zich in klederdrachten, ceremonieel en vooral in het taalgebruik van de militaire en ambtelijke kringen uit de oude monarchie”, zo merkt Roth-kenner Wil Rouleaux op in een doorwrochte analyse van ‘Radetzkymars’ in Trouw. Precies daardoor zit ‘Radetzkymars’ volgestouwd met de prachtigste details, als een prisma waar je steeds weer nieuwe kleuren en schitteringen van ontdekt, mede door de glasheldere stijl van Roth.
Het belette allemaal niet dat ‘Radetzkymars’ een moeizame bevalling werd en de deadline voortdurend opschoof, tot wanhoop van zijn uitgever. De mythe wil dat Roth zelfs het integrale vierde hoofdstuk in een taxi liet slingeren in Berlijn en helemaal overnieuw moest schrijven. Gelukkig maalde Roth – met zijn jachtige ritme – er niet om weer de draad op te pakken. Zijn ‘Radetzkymars’ moest en zou zijn beslag krijgen. Dat hij een nazaat van het geslacht von Trotta opnieuw een plaats gaf in ‘De Kapucynercrypte’ (1938), bewijst hoe nauw hij zich met deze personages verbonden bleef voelen.

[‘Radetzkymars’ – Joseph Roth. Uitgeverij Atlas/Contact & Veen, vertaling W. Wielek-Berg, herzien door Elly Schippers, 383 pagina’s]

De glazen stolp – Sylvia Plath

21 / 03 / 2014

Ontreddering komt op een diefje in De glazen stolp van Sylvia Plath. Deze cultkroniek van langzaam wegglijden naar de afgrond heeft geen splinter van zijn kracht ingeboet, mede door de aparte beeldentaal van Plath.

door Dirk Leyman

Hoe onbevangen kun je De glazen stolp (1963) lezen, als je weet dat de schrijfster ervan een maand na verschijning haar hoofd in een gasoven legde en uit het leven stapte? Bovendien is De glazen stolp een roman over een talentvol societymeisje in de jaren vijftig, dat na een aantal ontgoochelingen wegzeilt in een depressie en in de psychiatrie belandt. Dat zit wel erg dicht op de huid van Sylvia Plath zelf. Ondernam ze in 1953 na een electroshocktherapie al niet een zelfmoordpoging? Kortom: genoeg aanknopingspunten voor een strikt autobiografische lezing. En natuurlijk is dat gretig gebeurd met Plaths enige prozawerk, geschreven onder het pseudoniem Victoria Lucas. Dat lot viel trouwens ook haar in omvang bescheiden poëzieoeuvre te beurt, waar zoveel tragische en wanhopige dichtregels voor het grijpen liggen (‘Dying / Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well’).

Labiel schepsel met egocentrische trekjes

Nog steeds spitten horden biografen in het kortstondige maar turbulente leven van de Amerikaanse schrijfster. Vorig jaar verschenen er zelfs twee nieuwe levensstudies:  American Isis van Carl Rollyson en Mad Girl’s Love Song van Andrew Wilson. Om telkens weer een zweem van raadselachtigheid toe te voegen aan de mythe én Plath af te schilderen als een doordravend, labiel schepsel met egocentrische trekjes. Feministische literatuurwetenschappers probeerden haar al veel langer voor hun kar te spannen. Zeker omdat haar Britse echtgenoot, de vermaarde dichter Ted Hughes (1930-1998), haar kort voor haar dood in de steek liet voor de jongere Assia Wevill en gemakshalve als boeman mocht fungeren. En pleegde Wevill later ook geen zelfmoord, op dezelfde manier als Plath?  Andere biografen zijn – net als Hughes zelf – van oordeel dat Plath suicide een onafwendbare uitkomst was van haar bipolaire stoornis.

De roem kwam Sylvia Plath (1932-1963) pas postuum aanwaaien, zo gaat dat nu eenmaal. Na haar vroege dood kreeg ze zelfs de Pulitzer Prize. Haar consacratie kwam er met de (nota bene door Ted Hughes samengestelde) gedichtenbundel Ariel (1965), terwijl ook The Bell Jar in de loop van de jaren zestig tot een waar cultboek uitgroeide. “Sylvia Plath is voor de literatuur misschien wel wat de in datzelfde jaar vermoorde John F. Kennedy voor de wereldgeschiedenis was en Marilyn Monroe, die een paar maanden voor Plath zelfmoord pleegde, voor de populaire cultuur: een in de knop gebroken icoon”, schrijft poëziecriticus Rob Schouten vorig jaar in een artikel in Vrij Nederland. Een overtrokken vergelijking misschien, maar zeker niet gespeend van enige waarheid. Haar leven inspireerde filmmakers (u herinnert zich de biopic Sylvia uit 2003) en zelfs popmuzikanten, zoals Ryan Adams met het nummer Sylvia Plath.

Donkere stemmingen

De hoofdlijnen van Plaths leven zijn vaste prik voor literatuurstudenten. Haar hypochondrische vader Otto Plath, een professor zoölogie van Duitse afkomst, sterft wanneer Plath amper acht jaar was. Plath krijgt vervolgens een modelopvoeding door haar moeder en spreidt al vroeg dichterstalent tentoon. Cum laudestudies volgen in Northampton, waarna ze in Cambridge mag gaan studeren. Daar ontmoet ze Ted Hughes, met wie ze in 1956 in het huwelijk treedt en twee kinderen zal krijgen. Plath lijkt alle troeven in handen te hebben voor een literair droomhuwelijk, maar de klad komt er sneller in dan gedacht. Plaths ambitie en sociale façades worden in de wielen gereden door haar steeds opdringerig wordende donkere stemmingen, waarmee ze al sinds haar adolescentie kampt. Diverse zelfmoordpogingen zijn het gevolg. Er schuilt een dubbele persoonlijkheid in Plath. Schrijft ze in brieven aan haar moeder dat haar honeymoon in Spanje idyllisch is, in haar dagboeken luidt het op dat moment: “The world has grown crooked and sour as a lemon overnight.” In 1960 maakt Plath haar debuut met de dichtbundel Colossus. Wanneer Hughes een affaire krijgt met de ravissante Assia Wevill, de vrouw van de dichter David Wevill, loopt het huwelijk op de klippen. De verdachtmakingen grijpen om zich heen en Plaths mentale ontsporing kent geen maat meer. Ze keert terug met haar kinderen in Londen, waar ze een vroeger woonhuis van William Butler Yeats betrekt, en schrijft fanatiek aan veertig gedichten, die later in ‘Ariel’ terechtkomen. Op 11 februari 1963, in het hart van een van de koudste winters van de twintigste eeuw, pleegt Plath zelfmoord. Kort daarvoor had ze de spleten van de keukendeur met natte handdoeken verzegeld om het gas niet te laten ontsnappen. In de kamer ernaast had ze netjes een ontbijt voor haar twee kinderen klaargezet.

Ontreddering op een diefje

De hamvraag is: valt The Bell Jar te lezen zonder al deze voorkennis? Het antwoord is volmondig ja. Waarom ze dan toch meegeven? Omdat ze onmiskenbaar een extra pigment verstrekken aan deze roman, terecht bevorderd tot een all time American classic. Want soms kun je wel heel directe parallellen met Plaths leven aanwijzen.

Wie het boek opslaat, zal meteen getroffen worden door de springerige, wat waanwijze toon van de vertelster, de begaafde Esther Greenwood. Ik ben niet de enige die heeft gewezen op de parallellen met J.D. Salingers held Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, zij het dat Esther Greenwood uit De glazen stolp begiftigd is met een speelser taalvermogen. De je ne sais quoi-attitude, lichtjes hautain en soms ongemeen scherp, maakt dat je meteen in de roman zit. Eerst straalt Greenwood zelfs nog een zekere lachebekkerij uit. Ze dolt met haar New Yorkse omgeving en haar vriendinnen, ze popelt van ambitie, maar gaandeweg beseffen we de ernst van haar mentale situatie. En die degradeert onverwachts. Ontreddering komt op een diefje bij Sylvia Plath. Lang, al te lang, wordt de schijn hoog gehouden.

Renpaard zonder renbanen

Greenwood is een jaar of twintig wanneer ze in New York terechtkomt en er een cursus mag volgen om haar journalistieke loopbaan te laten ontvlammen. Ze is afkomstig uit een saai voorstadje van Boston, waar ze slechts “tot haar negende zielsgelukkig is geweest”, tot op het moment dat haar vader overleed. Er lijkt in New York een bollenwinkel voor Esther open te gaan, zeker als ze onder de vleugels wordt genomen door J.C., “de beste redactrice die er bij een intellectueel modeblad te vinden was”, een dame met “hersens” maar “een gemene tronie.” Toch verknoeit Greenwood het spoedig en raakt ze het spoor bijster in de stad en vooral in haar eigen geest, geprangd als ze zit tussen oude rollenpatronen, een grote vrijheidsdrang en haar vriendinnen, de goedmoedige Betsy en vrijgevochten, ad remme Doreen. Ze wordt geteisterd door een gevoel van “jammerlijk tekort schieten”: “Het vervelende was dat ik altijd al tekort had geschoten, ik had er gewoon nooit bij stilgestaan.”

Het wemelt van die op mislukking afstevenende, haast achteloos neergeschreven zinnetjes bij Plath, die je plots naar de keel grijpen: “Toen vroeg ik me af waarom ik niet van ganser harte kon doen wat ik laten moest, en daar werd ik nog vermoeider en droeviger van.” En dan beseft ze, in een krachtig beeld: “Ik voel me een renpaard in een wereld zonder renbanen.” Tot ze begint te “verslappen, trager te lopen, zich gewonnen te geven”.

Ook Esthers verhouding tegenover mannen is dubbelzinnig: “Daar ging ik weer: een romantisch droombeeld opbouwen van een man die zodra hij me zag hartstochtelijk verliefd op me zou worden,en dat alleen op grond van een onbenullig telefoontje”, verzucht ze. Maar tegelijk is Esther meedogenloos. Als haar eerste vriendje Buddy Willard zich voor haar uitkleedt, noteert ze: “Ik kon aan niets anders denken dan kalkoenennek en kalkoenenmaagjes en ik raakte heel erg gedeprimeerd.” De worsteling met seksualiteit is een constante in de roman, waarbij Plath zelfs het begrip ‘reinheid’ in stelling brengt en Esther er lang laat over filosoferen. “Het ging telkens weer hetzelfde: ik kreeg in de verte een volmaakte man in het oog, maar zodra hij naderbij kwam, zag ik onmiddellijk dat hij totaal ongeschikt was.” Het ritueel  van de (bijna-)ontmaagding beslaat ettelijke pagina’s.

Bevoorrechte waarnemer

Wanneer Esther wordt afgewezen op de schrijfcursus – iets wat Plath ook zélf overkwam met de auteur Frank O’Connor – gaat haar wereld sneller aan het tollen. Haar amechtige pogingen om zelf een roman te schrijven, opnieuw thuis in Massachusetts, komen niet van de grond. Omdat ze het leven niet genoeg heeft doorleefd, zo vermoedt ze. “Hoe kon ik over het leven schrijven, als ik nog nooit een minnaar had gehad, of een kind gekregen, of iemand dood had zien gaan?” Dan volgen de pikzwarte gedachten, de zelfmoordpogingen, een psychiatrische kliniek, elektroshocks én amateuristische maneuvers van het medisch personeel. “Hoe hopelozer je was, des te verder stoppen ze je weg.” Tot er wat licht aan de horizon lijkt te gloren. Bedrieglijk licht, zoals we nu weten.

De glazen stolp verbluft je keer op keer met lucide inzichten en taferelen die erin hakken. Beelden met een soms overvloedig woordenarsenaal, maar vaak zeer accuraat, scherp als een scalpel. En ontegensprekelijk ook wel ‘ns grappig. Om het met de woorden van Hughes te zeggen: “When a real self finds language, and manages to speak, it is surely a dazzling event”. Dat is inderdaad wat De glazen stolp teweegbrengt. Geen zwelgen in opzichtig zelfbeklag hier, zoals dat wel in andere teksten van Plath het geval is. Esther Greenwood kijkt naar haar eigen leven zonder pudeur, intelligent en cynisch, als een bevoorrechte waarnemer. Maar ze is niet staat het wegglijden naar de afgrond af te remmen. Esther Greenwood palmt je in, strijkt je tegen de haren, jaagt je op de kast én charmeert je. Vijftig jaar na datum heeft deze roman geen splinter aan kracht ingeboet en blijf je wat verweesd achter, weer mijmerend over dat rare leven van Sylvia Plath, En wéér sla je een zoveelste biografie open over dat blonde, onopvallend ogende meisje dat zo graag perfect wilde zijn.

Dirk Leyman

De glazen stolp van Sylvia Plath, vertaald door René Kurpershoek, is uitgegeven bij De Bezige Bij

Lees meer over Sylvia Plath op Cobra.be.