Logo




José Saramago – De stad der blinden

Een stad wordt getroffen door collectieve blindheid. Waarna het vernis van de beschaving snel raakt weggekrast. Recyclezer Dirk Leyman grijpt terug naar ‘De stad der blinden’ van José Saramago en raakt moeiteloos weer in de ban.

Dirk Leyman

Flamboyant en strijdbaar tot de laatste snik, zo staat de Portugese schrijver José Saramago (1922-2010) in de herinnering gegrift. Bovendien was hij een notoir atheïst en levenslang communist, die eerst zijn politieke pijlen richtte op het dictatoriale extreem-rechtse regime van Salazar en later vooral het kapitalisme en de katholieke kerk de mantel uitveegde. Ongetwijfeld is hij onder de Nobelprijswinnaars Literatuur één van diegenen met de meest uitgesproken linkse signatuur (samen met Dario Fo). Vaak snelde zijn engagement zijn schrijverschap vooruit: in de laatste jaren voor zijn dood kwam Saramago soms meer in het nieuws met relletjes dan met zijn geschriften. Zo noemde hij de “bijbel een handboek voor slechte moraal” en ginnegapte hij in zijn stekelige blogs over Berlusconi. Saramago zocht altijd graag de controverse op en wreef zich in de handen wanneer er steekvlammetjes ontstonden.

Een onthutsend en verslavend boek

Portugals bekendste literaire exportproduct na Fernando Pessoa werd op 16 november 1922 geboren in het Portugese dorpje Azinhaga, in een armoedig gezin van dagloners. Zijn jeugd bracht hij door in Lissabon, waar de jonge Saramago in een wijkbibliotheek verknocht raakte aan literatuur. Na onafgewerkte universiteitsstudies ging hij aan de slag als metaalbewerker en in een garage. Zijn eerste roman Land van de zonde verscheen in 1947. Pas 20 jaar later kwam hij met nieuw literair werk: een dichtbundel. Ondertussen werkte Saramago als journalist en vertaler bij een uitgeverij, maar in het Portugese literaire landschap bleef hij volkomen onder de radar, al breidde hij zijn contacten uit. In de jaren zestig, tegen het einde van de Salazar-dictatuur, sloot hij zich bij de illegale communistische partij aan. Na de Anjerrevolutie van 1974 werd Saramago adjunct-hoofdredacteur van de krant Diário de Lisboa, om er verrassend snel de bons te krijgen, in de nasleep van de tweede militaire coup op 25 november 1975. Het bleek een zegen voor de literatuur. Pas daarna ontbrandde Saramago’s schrijverscarrière helemaal, als revanche tegen zoveel onrecht. Saramago beleefde een late doorbraak met romans als Memoriaal van het klooster (1982), Het jaar van de dood van Ricardo Reis (1984), Het stenen vlot (1986) en Het beleg van Lissabon (1989), om nog meer roem te vergaren en schandaal te verwekken met het controversiële Het Evangelie volgens Jezus Christus (1992), dat zijn landgenoten deed steigeren. Waarna hij Portugal de rug toekeerde om zich op de Canarische Eilanden te vestigen. Om er zijn allicht beroemdste roman te schrijven: het later ook verfilmde De stad der blinden (1995), een onthutsend en tegelijk verslavend boek over een epidemie, die een complete stad met blindheid treft.

Afdaling in een apocalyps

Telkens weer schreef Saramago breed uitwaaierende, meditatieve romans, in een krachtige vertelstijl en met filosofisch-historische exploraties over de menselijke natuur. De stad der blinden, zopas heruitgegeven bij Meulenhoff samen met De stad der zienden, is wel eens zijn meest toegankelijke roman genoemd, onder meer door Pieter Steinz. Want het klopt dat Saramago “zijn lezers soms intimideert met extreem lange alinea’s en aan elkaar geschreven dialogen.” Toch lag het in de lijn der dingen dat Saramago in 1998 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. De stad der blinden heeft het Nobelcomité allicht mee over de streep getrokken. De Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes reageerde toen: “Eigenlijk verdient Saramago ook de Nobelprijs voor de vrede”.

Saramago is er vaak tuk op om zijn boeken te beginnen met een ‘what if’-gegeven, het ondenkbare tot de uiterste consequentie doordenkend, “het onwaarschijnlijke werkelijk maken”, zoals zijn vertaler Harrie Lemmens het in een uitgebreid nawoord omschrijft. Wie De stad der blinden openslaat, moet zich voorbereiden op een afdaling in een soort apocalyps, waar zonder pudeur het vernis van de samenleving wordt geschraapt, met soms weerzinwekkende details. Om zo de lezer een soort spiegel voor te houden. Moraliserend? Niet in de strikte, opdringerige zin. “We zijn gewoon niet in staat om het echte leven te ondergaan. Daarvoor is het veel te wreed. Welnu, het is een grote verdienste van literatuur dat ze het echte leven kan uitvergroten, het duidelijker maken”, zo vertelde Saramago in 1998 aan Lode Delputte van De Morgen.

‘Totaal, stralend wit’

Laat alle hoop varen als je je in De stad der blinden begeeft. Zeker wanneer een stad (niet nader geïdentificeerd maar gelijkend op Lissabon) compleet ontwricht wordt door blindheid. Het eerste slachtoffer is een achtendertigjarige man die zijn gezichtsvermogen verliest terwijl hij met zijn auto voor een verkeerslicht staat. Hij wordt naar huis gebracht door getuigen, maar merkwaardig genoeg veroorzaakt zijn blindheid geen zwart vlak op het netvlies. Ze is van een melkachtig wit, “zo’n totaal, zo’n stralend wit dat het eerder verslond dan absorbeerde, en niet alleen de kleuren, nee, alle dingen en levende wezens zelf, waardoor het die dubbel onzichtbaar maakte.” Alsof het licht uitging? Nee, “eerder alsof het licht aanging.” Al spoedig blijkt er sprake van een acute epidemie, een uitdeinende nationale ramp. Want al wie met de man in aanraking is gekomen – waaronder een loensend jongetje, een wulps meisje met een zwarte zonnebril en een ouderling met een zwart lapje voor het oog – ondergaat hetzelfde lot. Ook de geraadpleegde oogarts, die geen afwijking aan het oculair weefsel kon constateren. De regering grijpt in en plaatst de getroffenen aanvankelijk in een quarantaine in een voormalige psychiatrische instelling, waar ze een streng regime ondergaan en door militairen worden bewaakt. Saramago haalt en passant zwaar uit naar de autoriteiten.

Spoedig desintegreert de situatie van de gedoemde blinden en vallen de maskers alom af. De collectieve blindheid zet alles op scherp, het verval treedt in en geleidelijk aan wordt het ieder voor zich: homo homini lupus, à la Thomas Hobbes wordt de ene mens een wolf voor de ander. Wat wil je in een samenleving waar iedereen op de tast rondloopt? Of is er toch ook een spoor van edelmoedigheid? Hoe dan ook: “de ogen ontbreken”, zij die alles onder controle kunnen houden. Ogen zorgen voor verantwoordelijkheidsbesef én sturen de gevoelens. Nu sputtert de samenleving, werken waterleidingen niet meer, raken toiletten verstopt. De stank wordt onhoudbaar en het voedsel raakt op. Het leidt tot ontluisterende en boosaardige taferelen in de stad, door Saramago in krachtige bewoordingen neergezet. Vuil, honger en dorst, uitwerpselen en pestilente stank wasemen uit de pagina’s op, zo plastisch beschreven dat je soms een wasknijper nodig denkt te hebben. Plunderingen in de ontaarde stad, mensen die dieren opvreten en doelloos ronddwalen, vernederde vrouwen, ontheemde kinderen: een burgeroorlog lijkt niet veraf. Saramago spaart de lezer geen details. Het allegorische karakter van De stad der blinden wordt nog versterkt door de naamloosheid van de personages: “Mijn personages hebben geen namen meer. Je kunt ze vergelijken met de gevangenis in Hitlers concentratiekampen, die ter identificatie een nummer op hun arm getatoeëerd kregen”, vertelde hij in datzelfde interview met De Morgen.

Felle ironie

En dan is er de enige ziende in het land der blinden: de vrouw van de oogarts, die op miraculeuze manier aan de epidemie ontsnapt. Zij simuleert blindheid om haar man te kunnen blijven helpen in de kliniek. Ze is diegene die de menselijkheid willens nillens poogt te vrijwaren, ze “fungeert niet alleen letterlijk als oog, maar ook als bewaker van de morele waarden”, zoals Ilse Marrevee het in Trouw ooit omschreef. Saramago noteert over haar pogingen tot waardigheid: “Als we niet helemaal als mensen kunnen leven, laten we dan tenminste alles doen om niet helemaal als beesten te leven, zo vaak zei ze dat, dat de rest van de zaal die in wezen simpele en elementaire woorden tenslotte verhief tot een maxime, een sententie, een doctrine, een levensregel.”

De stijl van dit boek is hecht, condens en soms benauwend. Maar toch valt de soepele leesbaarheid op, ondanks de volgestouwde pagina’s waar nauwelijks witregels opduiken. Je zit meteen in dit verhaal. Dan weer formuleert Saramago met grote zwier en elegantie, vervolgens maakt hij bruusk vaart, als we switchen tussen verteller en personages. Maar nooit verlies je de draad. En af en toe is er uiteraard die verlossende ironie, vol subtiele ongerijmdheden (bijvoorbeeld blinden laten stemmen bij handopsteking, nou ja, en – erg symbolisch geladen – geblinddoekte heiligenbeelden). Vertaler Harrie Lemmens noemt het “een soort onderkoelde ironie, die fel wordt als hij onrecht of onredelijkheid aan de kaak stelt.”
Er is veel gespeculeerd over de bedoelingen van het tot op de laatste pagina’s spannende boek, waarover Saramago zich steeds in enige raadselen is blijven hullen. Zijn we zelf “ziende blind” voor wat er om ons heen gebeurt? “Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn, Blinden die zien, Blinden die ziende niet zien”, prijkt er op de laatste pagina. Staat blindheid voor collectieve verdwazing? Wil Saramago aantonen hoezeer een samenleving slechts voorzien is van een klein kraslaagje beschaving, dat in een oogwenk kan verdwijnen? Zijn we al bij al ook survivors, al hebben we dan geen fractie toekomst meer? Of, hebt u, als mede-recyclezer, nog meer hypotheses? Zeker is dat De stad der blinden een boek is dat raadsels oplost maar er evenveel vermenigvuldigt.

[José Saramago, De stad der blinden, uitgeverij Meulenhoff, uitgegeven samen met De stad der zienden, 2013, met nawoord van vertaler Harrie Lemmens]

Reageren op deze Recyclezer kan hieronder.

De volgende Recyclezer neemt ‘Rituelen’ van Cees Nooteboom onder de loep.

TAGS:

5 Antwoorden op “José Saramago – De stad der blinden”

  1. Pascal Cornet Zegt:

    Eén manco in deze voortreffelijke bespreking: het ontbreken van een verwijzing naar ‘De stad der zienden’, nochtans een onontbeerlijke aanvulling op de lectuur van ‘De stad der blinden’. Zie: http://pascaldigital.blogspot.be/2008/11/dag-436-vvh.html

  2. Dirk Leyman Zegt:

    Dag Pascal, Is geen vergetelheid. Ik stip toch de gezamenlijke heruitgave aan? Heb overwogen om ‘De stad ter zienden’ er nog bij te betrekken, maar dit zou me gewoon te ver leiden. Er viel al zoveel te vertellen over ‘De Stad der Blinden’ en over Saramago…

  3. Meneer Jacques Zegt:

    Laatst las ik Bovenlicht, geschreven toen hij zelf nog heel jong was. Het heeft me geprikkeld om verder nog iets van hem te lezen. Al vond ik bovenlicht ook niet super, anderzijds was hij toen zeker nog niet op het toppunt van schrijven als ik andere recensies bekijk.

    De volgende wordt ‘De stad der blinden’ denk ik. Ik ben echt benieuwd, speciaal de film ook nog niet bekeken.

  4. Seppe Decubber Zegt:

    Is zijn ironie niet veeleer een grote opluchting omdat ze de vertelstem veelzijdig maakt? Niet zelden gebruikt Saramago ironie omdat de verteller zich even zou kunnen distantiëren van de feitelijkheden om er op los te filosoferen en te concluderen.
    Hoe dan ook, volgens mij kaart hij, inderdaad, de duistere gronden van het menszijn aan, of liever, laat hij ze naar bovenkomen aan de hand van een verhaal met een fundamentele graad van zwijgen, of althans verzwijgen van bepaalde antwoorden.
    We krijgen een crisis mee te maken, zonder grond. Die ook schijnbaar zo stopt.
    Misschien is dit een beetje postmodern?
    Of misschien troostend, dat de leegte die centraal staat de motor vormt voor zo’n rijk verhaal? Of net gruwelijk, vanuit het standpunt van de personages?
    In ieder geval, het zorgt ervoor dat het verhaal een nog groter parabel-waarde krijgt.
    Een van de beste boeken die ik las!

  5. Maria Kleopatra Zegt:

    Boeiende bespreking. Het boek ligt al een hele tijd op mij te wachten in de kast, het wordt tijd dat ik het stof er af blaas en er aan begin. Maar dan moet Herodotos eerst uit.