Logo




Albert Camus – De vreemdeling

Filosoof van de onverschilligheid of wanhopig humanist? Albert Camus dubde voortdurend over de absurditeit van het bestaan. In zijn klassieker De vreemdeling overheerst een onthecht soort nihilisme. De stijl is kaal en ongepolijst. Toch blijft het boek een bittere leeservaring, vindt recyclezer Dirk Leyman.

Er is veel dat kan bijdragen tot mythevorming. Maar wanneer je als beroemd schrijver-filosoof en existentialistisch icoon om het leven komt bij een dom auto-ongeluk, amper drie jaar nadat je de Nobelprijs Literatuur hebt gekregen, ja, dan is het hek helemaal van de dam. Op 4 januari 1960 was het lot Camus niet welgezind. In nooit opgehelderde omstandigheden belandde de Facel Vega van zijn vriend Michel Gallimard aan hoge snelheid tegen een plataan op de Route Nationale 5, ten zuiden van Fontainebleau. Passagier Camus was op slag dood. Ironisch detail: aanvankelijk zou Camus met de trein terugkeren naar Parijs, reis waarvoor hij al het spoorbiljet op zak had. Op het laatste nippertje vervoegde hij zich bij zijn boezemvriend. Bovendien had hij in diverse geschriften meermaals gealludeerd op de absurditeit van een dodelijk auto-ongeval.

Absurdistische kijk op het leven

Intellectueel Frankrijk bleef in shock achter en in de jaren zestig en zeventig laaide de belangstelling voor zijn leven pas helemaal hoog op. Toen ontdekte men ook dat Camus – met zijn Humphrey Bogartlook, eeuwige Gauloise in de mondhoek en in regenjas verschanste opgetrokken schouders – een moedig intellectueel was. Een man die, ondanks zijn contradicties en zijn absurdistische visie op het leven, toch ook het engagement predikte. Net omdat het leven zinloos was en zelfmoord het enige ‘filosofisch probleem’, konden we ons maar beter gracieus verzetten tegen onrechtvaardigheid en ideologische scherpslijpers die tot uitwassen aanleiding geven: “Het is beter rechtop te sterven dan op de knieën te leven”, zo vond Camus. Het leven is wel degelijk waard om geleefd te worden. Dat er een schisma ontstond met Jean-Paul Sartre over het communisme, waarvan hij in De mens in opstand (1951) de humanitaire schaamlapjes én gewelddadige trekjes had gehekeld, verbaast niet helemaal. Frankrijk worstelt – nu, bij de honderdste geboortedag van de schrijver – nog steeds met de nalatenschap van Camus, zo bewijzen de vele speciale nummers van magazines, waar pro en contra deskundig wordt afgewogen. En dat Camus nooit de onafhankelijkheid van zijn geboorteland Algerije verdedigde tijdens de burgeroorlog, is hem in sommige kringen flink kwalijk genomen.

De lucide schrijver-filosoof had bij zijn dood een palmares om van te duizelen. Camus – combattief en sceptisch tegelijkertijd – was de auteur van tijdloze, ingetogen meesterwerken als het strak geschreven De vreemdeling (1942), het allegorische De pest (1947) en De val (1956, waarin een Parijse advocaat op de Amsterdamse Wallen zijn zonden opbiecht en zijn verleden wil overdoen). Groot in omvang was zijn romanoeuvre niet. Maar hij schudde ook de kussens op met baanbrekende essays als De mythe van Sisyphus, een bespiegeling over de zinloosheid van de herhaling in het leven. En hij maakte naam met toneelstukken als Caligula en De rechtvaardigen. Postuum verscheen in 1994 de onafgewerkte roman Le premier homme, het autobiografische relaas van zijn Algerijnse jeugd. “Mijn hele oeuvre is ironisch”, noteerde Camus in 1950 cryptisch in zijn Carnets, waarmee hij er de ernst van wilde ondermijnen, al kun je Camus moeilijk een humoristisch schrijver noemen.

Ongenadige zon

Zijn romandebuut L’Etranger (1942) zag in volle oorlogstijd het licht, vrijwel gelijktijdig met De mythe van Sisyphus, maar in feite had Camus al in 1940 een eerste versie afgewerkt. De vreemdeling, onlangs opnieuw vertaald bij De Bezige Bij door Peter Verstegen, is Camus’ beroemdste boek en door zijn bescheiden omvang ook erg populair bij Franse scholieren. Ruim 6,7 miljoen stuks zijn er in pocketvorm over de toonbank gegaan. Ik herinner me de ijle kilheid én schijnbaar makkelijke leesbaarheid van L’Etranger, toen ik de roman voor het eerst in de Franse les kreeg voorgeschoteld. Het is en blijft een onbehaaglijk stemmend boek, waarin het hoofdpersonage, de pied noir Meursault, het leven compleet onthecht en afstandelijk tegemoet treedt. De dood van zijn moeder raakt hem nauwelijks, de liefde van zijn vriendin evenmin en wanneer hij op het strand een Arabier doodschiet, laat hij zich in het proces gewillig naar het executiepeloton leiden, zonder zich te verantwoorden of te verdedigen. Meursault beschouwt zijn gedrag als een vreemde rebellie tegen de samenleving, het omarmen van ‘een tedere onverschilligheid’ én toch ook een bizarre revolte tegen de dood.

De openingszinnen van De vreemdeling zetten meteen de toon: “Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.” Het lijkt Meursaults koude kleren niet te raken, haar dood is een hobbeltje in zijn vlakke leven, dat hij vaak rokend, op bed zittend, starend of mechanisch werkend op kantoor doorbrengt. Vervelend dat hij naar de begrafenis moet, onder de loden zon, en daar bijna een zonnesteek oploopt. De zon is trouwens een alomtegenwoordig motief in De vreemdeling en ze is ongenadig: “Overdag maakte het zonlicht waar het landschap van trilde dat het er onbarmhartig en neerdrukkend uitzag.” Verder maakt Meursault liever zo weinig mogelijk woorden vuil aan de dood van zijn moeder Is het Meursaults onkunde is om er mee om te gaan, vraag je je af?

‘Criminel au hasard’

Maar in de volgende hoofdstukken wordt duidelijk dat Meursaults attitude er een is van koele afwezigheid, al is hij niet ongevoelig voor lichamelijke en zintuiglijke sensaties. Voelt hij liefde voor zijn vriendin Marie? Nee, als ze ernaar vraagt, geeft hij grif toe dat dit niet het geval is. Toch is hij beleefd en zelfs behulpzaam als zijn buren hem een gunst vragen en hij knoopt een vreemd soort vriendschap aan met Raymond, de man met de losse handjes en de boksersneus, die ‘van vrouwen leeft’: “Hij is niet erg populair. Maar hij maakt vaak een praatje met me en soms komt hij even langs omdat ik naar hem luister. Ik heb trouwens geen enkele reden om niet met hem te praten.” Voor Raymond schrijft hij zelfs een brief, zodat die wraak kan nemen op zijn ex-vriendin. Een moreel standpunt innemen over het twijfelachtige macho-gedrag van Raymond, dat zelfs de politie alarmeert, doet Meursault niet. Hij getuigt zelfs dat het meisje Raymond had ‘belazerd’. Maar wanneer de broer van Raymonds ex-vriendin, een Arabier, met een paar vrienden het pad kruisen van Raymond en Meursault, voel je dat de er dreiging in de lucht hangt. Camus gebruikt op dat moment technieken uit de hard-boiled Amerikaanse literatuur (denk aan Dashiel Hammett en Raymond Chandler) om naar het noodlottige voorval op het strand toe te werken. Daar schiet Meursault in zijn eentje een van de Arabieren met vijf kogels neer, nadat die hem met een mes had bedreigd en er eerder een schermutseling was met Raymond. Is het zelfverdediging of niet? Of is Meursault een ‘criminel au hasard’? Opnieuw wijst Camus de “enorm hete adem” van de zon als medespeler aan. “Het leek me of de hemel zich over zijn volle lengte opende om vuur te laten regenen. Mijn hele wezen spande zich en mijn hand verkrampte om de revolver.” In het daaropvolgende proces toont Meursault geen berouw en wijst hij de hitte aan als verklaring voor zijn gedrag. Merkwaardig ook: hoewel vrouwen een secundaire rol spelen in de roman, zijn ze wel de katalysator van het drama in het boek. De rechercheurs ontdekken verder dat Meursault “blijk had gegeven van gebrek aan gevoel” op de dag dat moeder begraven werd. “Een man ter dood veroordeeld omdat hij niet geweend heeft op de begrafenis van zijn moeder”, zo is de roman al eens al te lapidair samengevat.

Meursault voelt zich “thuis in zijn cel”, zijn leven komt er niet onbehaaglijk tot stilstand, al is er de moeilijk te stillen begeerte naar vrouwen en het verbod om te roken. “Afgezien van deze ergernis was ik niet al te ongelukkig. De hele kwestie was (…) hoe de tijd door te komen.” Hij graaft in zijn herinneringen en er gaat een vreemde bekoring en schoonheid uit van deze pagina’s. Tijdens het proces wordt doorgeboomd over toeval, voorbedachte rade en onverschilligheid. Meursault ondergaat het en maakt zich klein, een mensenleven is ten slotte niet meer waard dan dat van een mier: “Ik had op een bepaalde manier geleefd en ik had op een andere kunnen leven.” Hij is niet wanhopig, maar overdenkt zijn situatie tot op het bot. Tot hij een woede-aanval krijgt bij het gezemel van de aalmoezenier met zijn zekerheden over God.

Lamlendig onverschillig

“Meursault is geen bijzonder goed mens, maar ook geen bijzonder slecht mens. Hij is alleen maar lamlendig onverschillig. Daarvan is niet enkel de man die hij doodschoot het slachtoffer, maar vooral hijzelf”, schreef filosofe Alicja Gescinska daarover onlangs treffend in De Morgen. Is Camus’ Meursault ook niet enigszins verwant aan Herman Melville’s nee-zegger Bartleby? Meer dan ooit viel me op hoezeer Michel Houellebecq in zijn eerste boeken als ‘Extension du domaine de la lutte’ – met zijn afstandelijke, scherp waarnemende buitenstaanders – in de leer ging bij Camus.

“Een roman is geen filosofie in de praktijk”, zo constateerde Camus ooit. Toch voelt De vreemdeling onmiskenbaar nog steeds aan als een roman à thèse. Er is ook veel gezegd over de stijl van Camus: zijn “écriture blanche”, kaal en uitgepuurd, maar ook soms rafelig, alsof hij fraaie formuleringen opzettelijk uit de weg gaat. Roland Barthes omschreef De vreemdeling ooit “als een boek zonder stijl, dat toch goed geschreven is.” Het is de stijl van de afwezigheid, van de neutraliteit, die het gefragmenteerde bewustzijn van Meursault weerspiegelt, een wereld waarin vrijwel niets van belang is. Sartre noteerde zelfs dat “elke zin uit L’Etranger een eiland” is. Je kunt je aanvankelijk ergeren – zoals mij weer overkwam – aan die bijna transparante, onopvallende taal van Camus (die beslist eleganter kon schrijven, zoals hij elders bewees). Toch besef je gaandeweg: zo en niet anders moest De vreemdeling op papier worden gezet.

Dirk Leyman

[De vreemdeling is opnieuw uitgegeven bij De Bezige Bij, in een vertaling van Peter Verstegen]

Volgende maand in De recyclezer: ‘Oblomov’ van Ivan Gontsjarov

TAGS:

1 Antwoord op “Albert Camus – De vreemdeling”

  1. M.- José De Wachter Zegt:

    Ik ben er al een tijdje mee bezig: mijn klassiekers opnieuw lezen. Het komt dus goed uit dat De RecycLezeR ook ‘De vreemdeling’ van Albert Camus in de schijnwerpers plaatst. Ik heb dit boekje, ondanks alle nihilisme in die tijdsperiode (de oorlogsjaren ’40) en de wel erg zwartgallige thema’s van dit werk,toch erg vlot kunnen lezen. Het begint met de dood en de begrafenis van zijn moeder, en al vlug daarna pleegt het hoofdpersonage een moord. Gevangenistoestanden, gerechtelijk onderzoek, het proces, de veroordeling, … het kan moeilijk nog pijnlijker worden. Toch heb ik ervan ‘genoten’ – ik weet het: dit werkwoord is hier niet op zijn plaats – omdat in dit werk geen woord te veel staat. Enkele zinnen volstaan om gevat bv. de heersende gemeenplaatsen die tot op vandaag nog gangbaar zijn rond dood en rouwen te vatten. En kijk toch eens hoe Camus de relatie beschuldigde/advokaat of beschuldige/rechter doet aanvoelen. Kan iemand nog beter vastleggen hoe gevangenen verschillen van houding tegenover hun familie of bekenden die hen komen bezoeken? Meursault is een zeer gesloten persoon. De strakke stijl van Camus en zijn karig woordgebruik beletten niet dat hij hier mensen en gebeurtenissen beschrijft die tot de dagelijkse realiteit in die oorlogsjaren behoren. Rake typeringen zonder enige franje: daar geniet ik steeds meer van!