Logo




De glazen stolp – Sylvia Plath

Ontreddering komt op een diefje in De glazen stolp van Sylvia Plath. Deze cultkroniek van langzaam wegglijden naar de afgrond heeft geen splinter van zijn kracht ingeboet, mede door de aparte beeldentaal van Plath.

door Dirk Leyman

Hoe onbevangen kun je De glazen stolp (1963) lezen, als je weet dat de schrijfster ervan een maand na verschijning haar hoofd in een gasoven legde en uit het leven stapte? Bovendien is De glazen stolp een roman over een talentvol societymeisje in de jaren vijftig, dat na een aantal ontgoochelingen wegzeilt in een depressie en in de psychiatrie belandt. Dat zit wel erg dicht op de huid van Sylvia Plath zelf. Ondernam ze in 1953 na een electroshocktherapie al niet een zelfmoordpoging? Kortom: genoeg aanknopingspunten voor een strikt autobiografische lezing. En natuurlijk is dat gretig gebeurd met Plaths enige prozawerk, geschreven onder het pseudoniem Victoria Lucas. Dat lot viel trouwens ook haar in omvang bescheiden poëzieoeuvre te beurt, waar zoveel tragische en wanhopige dichtregels voor het grijpen liggen (‘Dying / Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well’).

Labiel schepsel met egocentrische trekjes

Nog steeds spitten horden biografen in het kortstondige maar turbulente leven van de Amerikaanse schrijfster. Vorig jaar verschenen er zelfs twee nieuwe levensstudies:  American Isis van Carl Rollyson en Mad Girl’s Love Song van Andrew Wilson. Om telkens weer een zweem van raadselachtigheid toe te voegen aan de mythe én Plath af te schilderen als een doordravend, labiel schepsel met egocentrische trekjes. Feministische literatuurwetenschappers probeerden haar al veel langer voor hun kar te spannen. Zeker omdat haar Britse echtgenoot, de vermaarde dichter Ted Hughes (1930-1998), haar kort voor haar dood in de steek liet voor de jongere Assia Wevill en gemakshalve als boeman mocht fungeren. En pleegde Wevill later ook geen zelfmoord, op dezelfde manier als Plath?  Andere biografen zijn – net als Hughes zelf – van oordeel dat Plath suicide een onafwendbare uitkomst was van haar bipolaire stoornis.

De roem kwam Sylvia Plath (1932-1963) pas postuum aanwaaien, zo gaat dat nu eenmaal. Na haar vroege dood kreeg ze zelfs de Pulitzer Prize. Haar consacratie kwam er met de (nota bene door Ted Hughes samengestelde) gedichtenbundel Ariel (1965), terwijl ook The Bell Jar in de loop van de jaren zestig tot een waar cultboek uitgroeide. “Sylvia Plath is voor de literatuur misschien wel wat de in datzelfde jaar vermoorde John F. Kennedy voor de wereldgeschiedenis was en Marilyn Monroe, die een paar maanden voor Plath zelfmoord pleegde, voor de populaire cultuur: een in de knop gebroken icoon”, schrijft poëziecriticus Rob Schouten vorig jaar in een artikel in Vrij Nederland. Een overtrokken vergelijking misschien, maar zeker niet gespeend van enige waarheid. Haar leven inspireerde filmmakers (u herinnert zich de biopic Sylvia uit 2003) en zelfs popmuzikanten, zoals Ryan Adams met het nummer Sylvia Plath.

Donkere stemmingen

De hoofdlijnen van Plaths leven zijn vaste prik voor literatuurstudenten. Haar hypochondrische vader Otto Plath, een professor zoölogie van Duitse afkomst, sterft wanneer Plath amper acht jaar was. Plath krijgt vervolgens een modelopvoeding door haar moeder en spreidt al vroeg dichterstalent tentoon. Cum laudestudies volgen in Northampton, waarna ze in Cambridge mag gaan studeren. Daar ontmoet ze Ted Hughes, met wie ze in 1956 in het huwelijk treedt en twee kinderen zal krijgen. Plath lijkt alle troeven in handen te hebben voor een literair droomhuwelijk, maar de klad komt er sneller in dan gedacht. Plaths ambitie en sociale façades worden in de wielen gereden door haar steeds opdringerig wordende donkere stemmingen, waarmee ze al sinds haar adolescentie kampt. Diverse zelfmoordpogingen zijn het gevolg. Er schuilt een dubbele persoonlijkheid in Plath. Schrijft ze in brieven aan haar moeder dat haar honeymoon in Spanje idyllisch is, in haar dagboeken luidt het op dat moment: “The world has grown crooked and sour as a lemon overnight.” In 1960 maakt Plath haar debuut met de dichtbundel Colossus. Wanneer Hughes een affaire krijgt met de ravissante Assia Wevill, de vrouw van de dichter David Wevill, loopt het huwelijk op de klippen. De verdachtmakingen grijpen om zich heen en Plaths mentale ontsporing kent geen maat meer. Ze keert terug met haar kinderen in Londen, waar ze een vroeger woonhuis van William Butler Yeats betrekt, en schrijft fanatiek aan veertig gedichten, die later in ‘Ariel’ terechtkomen. Op 11 februari 1963, in het hart van een van de koudste winters van de twintigste eeuw, pleegt Plath zelfmoord. Kort daarvoor had ze de spleten van de keukendeur met natte handdoeken verzegeld om het gas niet te laten ontsnappen. In de kamer ernaast had ze netjes een ontbijt voor haar twee kinderen klaargezet.

Ontreddering op een diefje

De hamvraag is: valt The Bell Jar te lezen zonder al deze voorkennis? Het antwoord is volmondig ja. Waarom ze dan toch meegeven? Omdat ze onmiskenbaar een extra pigment verstrekken aan deze roman, terecht bevorderd tot een all time American classic. Want soms kun je wel heel directe parallellen met Plaths leven aanwijzen.

Wie het boek opslaat, zal meteen getroffen worden door de springerige, wat waanwijze toon van de vertelster, de begaafde Esther Greenwood. Ik ben niet de enige die heeft gewezen op de parallellen met J.D. Salingers held Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, zij het dat Esther Greenwood uit De glazen stolp begiftigd is met een speelser taalvermogen. De je ne sais quoi-attitude, lichtjes hautain en soms ongemeen scherp, maakt dat je meteen in de roman zit. Eerst straalt Greenwood zelfs nog een zekere lachebekkerij uit. Ze dolt met haar New Yorkse omgeving en haar vriendinnen, ze popelt van ambitie, maar gaandeweg beseffen we de ernst van haar mentale situatie. En die degradeert onverwachts. Ontreddering komt op een diefje bij Sylvia Plath. Lang, al te lang, wordt de schijn hoog gehouden.

Renpaard zonder renbanen

Greenwood is een jaar of twintig wanneer ze in New York terechtkomt en er een cursus mag volgen om haar journalistieke loopbaan te laten ontvlammen. Ze is afkomstig uit een saai voorstadje van Boston, waar ze slechts “tot haar negende zielsgelukkig is geweest”, tot op het moment dat haar vader overleed. Er lijkt in New York een bollenwinkel voor Esther open te gaan, zeker als ze onder de vleugels wordt genomen door J.C., “de beste redactrice die er bij een intellectueel modeblad te vinden was”, een dame met “hersens” maar “een gemene tronie.” Toch verknoeit Greenwood het spoedig en raakt ze het spoor bijster in de stad en vooral in haar eigen geest, geprangd als ze zit tussen oude rollenpatronen, een grote vrijheidsdrang en haar vriendinnen, de goedmoedige Betsy en vrijgevochten, ad remme Doreen. Ze wordt geteisterd door een gevoel van “jammerlijk tekort schieten”: “Het vervelende was dat ik altijd al tekort had geschoten, ik had er gewoon nooit bij stilgestaan.”

Het wemelt van die op mislukking afstevenende, haast achteloos neergeschreven zinnetjes bij Plath, die je plots naar de keel grijpen: “Toen vroeg ik me af waarom ik niet van ganser harte kon doen wat ik laten moest, en daar werd ik nog vermoeider en droeviger van.” En dan beseft ze, in een krachtig beeld: “Ik voel me een renpaard in een wereld zonder renbanen.” Tot ze begint te “verslappen, trager te lopen, zich gewonnen te geven”.

Ook Esthers verhouding tegenover mannen is dubbelzinnig: “Daar ging ik weer: een romantisch droombeeld opbouwen van een man die zodra hij me zag hartstochtelijk verliefd op me zou worden,en dat alleen op grond van een onbenullig telefoontje”, verzucht ze. Maar tegelijk is Esther meedogenloos. Als haar eerste vriendje Buddy Willard zich voor haar uitkleedt, noteert ze: “Ik kon aan niets anders denken dan kalkoenennek en kalkoenenmaagjes en ik raakte heel erg gedeprimeerd.” De worsteling met seksualiteit is een constante in de roman, waarbij Plath zelfs het begrip ‘reinheid’ in stelling brengt en Esther er lang laat over filosoferen. “Het ging telkens weer hetzelfde: ik kreeg in de verte een volmaakte man in het oog, maar zodra hij naderbij kwam, zag ik onmiddellijk dat hij totaal ongeschikt was.” Het ritueel  van de (bijna-)ontmaagding beslaat ettelijke pagina’s.

Bevoorrechte waarnemer

Wanneer Esther wordt afgewezen op de schrijfcursus – iets wat Plath ook zélf overkwam met de auteur Frank O’Connor – gaat haar wereld sneller aan het tollen. Haar amechtige pogingen om zelf een roman te schrijven, opnieuw thuis in Massachusetts, komen niet van de grond. Omdat ze het leven niet genoeg heeft doorleefd, zo vermoedt ze. “Hoe kon ik over het leven schrijven, als ik nog nooit een minnaar had gehad, of een kind gekregen, of iemand dood had zien gaan?” Dan volgen de pikzwarte gedachten, de zelfmoordpogingen, een psychiatrische kliniek, elektroshocks én amateuristische maneuvers van het medisch personeel. “Hoe hopelozer je was, des te verder stoppen ze je weg.” Tot er wat licht aan de horizon lijkt te gloren. Bedrieglijk licht, zoals we nu weten.

De glazen stolp verbluft je keer op keer met lucide inzichten en taferelen die erin hakken. Beelden met een soms overvloedig woordenarsenaal, maar vaak zeer accuraat, scherp als een scalpel. En ontegensprekelijk ook wel ‘ns grappig. Om het met de woorden van Hughes te zeggen: “When a real self finds language, and manages to speak, it is surely a dazzling event”. Dat is inderdaad wat De glazen stolp teweegbrengt. Geen zwelgen in opzichtig zelfbeklag hier, zoals dat wel in andere teksten van Plath het geval is. Esther Greenwood kijkt naar haar eigen leven zonder pudeur, intelligent en cynisch, als een bevoorrechte waarnemer. Maar ze is niet staat het wegglijden naar de afgrond af te remmen. Esther Greenwood palmt je in, strijkt je tegen de haren, jaagt je op de kast én charmeert je. Vijftig jaar na datum heeft deze roman geen splinter aan kracht ingeboet en blijf je wat verweesd achter, weer mijmerend over dat rare leven van Sylvia Plath, En wéér sla je een zoveelste biografie open over dat blonde, onopvallend ogende meisje dat zo graag perfect wilde zijn.

Dirk Leyman

De glazen stolp van Sylvia Plath, vertaald door René Kurpershoek, is uitgegeven bij De Bezige Bij

Lees meer over Sylvia Plath op Cobra.be.