Logo




Louis Couperus – Eline Vere

21 / 06 / 2013

Met zijn debuutroman Eline Vere (1889) gooide Louis Couperus meteen hoge ogen. De neergang van een narcistische Haagse societydame is gevat in een weelderige, archaïsche taal, die nu toch veel doorzettingsvermogen vereist, vindt recyclezer Dirk Leyman.

“Zoo ik iets bén, ben ik een Hagenaar”. De uitspraak heeft Louis Couperus (1863-1923) zijn hele leven achtervolgd. En ook nu is het Den Haag waar de festiviteiten rond zijn 150ste geboortedag het hevigst oplaaien. Met Couperuswandelingen, diners, apps, theatervoorstellingen en exposities wordt de Nederlandse vaandeldrager van het literaire decadentisme en naturalisme er uitbundig gefêteerd. Couperus bracht zijn jeugdjaren dan ook grotendeels door in Den Haag, waar hij de jongste telg was uit een welgesteld gezin van koloniale ambtenaren. In dat milieu werd de stijfheid van het protocol nog streng in acht genomen. Deze overbeschermde wereld doordrenkte de ziel van de uiterst sensitieve Couperus.

Maar ondanks die status van opper-Hagenaar onderhield Couperus altijd een wat getroebleerde verhouding met de stad. De verfijnde dandy en estheet was een man ‘die zich kriebelig voelde worden als hij lang toefde in Den Haag’, zo schreef hij. Precies daarom betitelde de reislustige Couperus zichzelf later als de ‘Vliegende Hagenaar’ en ‘de ontrouwe zoon der Ooievaarsstad’: altijd was er die drang om de stad te ontvluchten. Dat hij zes van zijn jonge jaren doorbracht in Nederlands-Indië, tekende hem voorgoed. Later zal hij vijftien jaar in het Zuiden wonen, in Nice en Rome, om dan weer met enig dedain neer te strijken in Den Haag, waar hij het salonleven met geamuseerde bewondering bleef monsteren. Toch keerde hij wel degelijk terug uit heimwee en cultiveerde hij een grote liefde voor het Haagse straatbeeld, met een voorkeur voor de Archipelbuurt en het Willemspark. Hoe diep zijn fascinatie zat voor zijn geboortestad bewijst het feit, schrijft Couperusspecialiste Caroline de Westenholz in José Buschmanns Haagse wandelgids uit 1996, “dat hij deze zo beperkte ‘Haagse kringen’ tot archetypen maakt voor de mensheid in het algemeen.”

Die opmerking geldt zonder meer voor zijn memorabele debuut, de zedenroman Eline Vere (1889), waarin hij de Haagse burgerij aan het eind van de negentiende eeuw in al haar finesses evoceerde. Nadat Couperus voor zijn poëziedebuut nogal wat kritiek moest incasseren en als een gekunstelde rijmelaar werd weggezet (Willem Kloos omschreef zijn gedichten als ‘absoluut literaire rommel’) nam hij revanche met Eline Vere, dat al snel klassieke status verwierf en uitgroeide tot zijn best verkopende roman.

Couperus schreef Eline Vere – zo bekende hij later – “in een bui van het kan-me-niet-bommen”. Het was zijn bedoeling “om eens een langen roman te schrijven […] voor het grote publiek, en dien de jonge meisjes, waarmeê ik flirtte, aardig zouden vinden!” Het boek verscheen eerst als feuilleton in de krant Het Vaderland, vandaar ook de scenische opbouw, waarbij Couperus oog had voor de spanningsopbouw en tal van subtiele vooruitwijzingen in zijn tableaus inbouwde. De inspiratie voor dat procedé putte hij uit ‘Oorlog en Vrede’ en ‘Anna Karenina’ van Lev Tolstoj. Maar ook het psychologische realisme van Henry James en Emile Zola’s determinisme schraagden deze roman.


Den Haag als glazen stolp

Eline Vere kun je bijna ‘de verpersoonlijking van Den Haag’ noemen, al stevent ze in de stad dan onafwendbaar haar noodlot tegemoet. Niet voor niets is de ondertitel ‘Een Haagsche roman’. Wanneer de narcistische freule na het overlijden van haar ouders intrekt bij haar zuster Betsy en haar man Henk, leidt ze in eerste instantie een schijnbaar wuft maar leeg bestaan. Ze lijkt perfect te passen in die Haagse wereld van ruisende japonnen, exquise soirées, diners, theekransjes en talloze visites aan Scheveningse Kurhaus. Ze dweept met de opera’s van Charles Gounod en met de operazanger Fabrice. Maar tegelijk is het alsof ze binnen een glazen stolp voortbeweegt, waarin ze uiteindelijk verstikt: in feite speelt de roman zich dan ook vooral ‘binnenskamers’ af. “Deze kleine fysieke speelruimte is symbolisch voor het beperkte geestelijke wereldje waarin de Haagse beau monde zich beweegt”, noteert H.T.M. Van Vliet in zijn uiterst deskundige nawoord bij de heruitgave van ‘Eline Vere’.

Met haar eindeloze bespiegelingen en dromerijen (“den nevel harer tobberigheid”) zingt Eline zich steeds verder van de realiteit los. En wanneer die af en toe haar klauwen uitsteekt, overheerst teleurstelling en tristesse of spookt er melancholie en angst door haar geest. Ze beschouwt haar omgeving als benauwend en van een grote geborneerdheid. Eline’s geest is vervuld van romantische schwärmerei, gevoed door het lezen van wat we nu misschien wel chicklit zouden noemen. Uiteindelijk heeft ze het gevoel dat ze niet kan tornen aan haar lotsbestemming – de doem van haar milieu, van haar karakter en van haar getergde zenuwen. Ongrijpbare krachten richten haar ten gronde. “Eline wist, dat er niets aan haar te veranderen was; zij was steeds, willoos, van een hellend vlak gedaald, zij was steeds naar omlaag geduwd, en hoewel zij de afgrond had zien gapen, had zij nooit omhoog kunnen stijgen”, staat er te lezen.

Tragische zelfkwelling

Wanneer Eline zich verlooft met de brave Otto, die het beste met haar voor heeft én eerst een geschikte huwelijkskandidaat wordt bevonden, is haar ja-woord vervuld van ambivalentie. Tot ze – na een nochtans gelukkig intermezzo – als eeuwig grillig schepsel de bruggen opblaast. Het is haar neef Vincent, ook al een zenuwlijder en ongeneeslijk melancholicus, die haar meer kan behagen. Hij veroorzaakt schisma’s in de huiselijke kring. Couperus laat zijn heldin vervolgens ook soelaas en rust zoeken bij familie in Brussel (maar ook daar heerst de leegheid in de mondaine kringen). Eline verzeilt nog in een soort romance met de Amerikaan Lawrence St. Clare, die – ondanks zijn sterke persoonlijkheid – haar niet meer kan ‘redden’. Dan is haar depressieve toestand al onomkeerbaar en haar tragische zelfkwelling in een slotfase. Haar eenzaamheid, te midden de mensen, voelt als een wurgtouw. Intussen is ze verslaafd aan morfine, die een arts in Brussel haar heeft voorgeschreven. Het medicijn zal het instrument worden van Eline’s zelf geregisseerde dood met druppels. “De dood was zoo zwart, zoo leêg, zoo onzegbaar! Maar toch, als het zoo was? En eensklaps versmolt hare vrees in een onmetelijke rust.”

Eline Vere is een typische Couperus-heldin, zo noteerde Iris Pronk onlangs in Trouw: “Het wemelt van de nerveuze, intelligente, meestal tengere en lelieblanke vrouwen in het werk van Couperus, zoals zijn beroemde heldin Eline Vere. Vrouwen die bij mannen een hoogstaande, platonische liefde opwekken; geen vuige lust.” En Christophe Vekeman concludeerde in een recent Couperus-portret in De Morgen al even raak: “Terwijl Emma Bovary en Anna Karenina ten onder gaan aan het leven, gaat Eline ten onder aan zichzelf.” Couperus-kenner H.T.M. Van Vliet wijst erop dat Couperus werkelijk vooruitstrevend was qua psychologische diepgang, “zeker als men bedenkt dat aan het einde van de negentiende eeuw de menswetenschappen, met name de psychiatrie, nog in de kinderschoenen stond.” Bovendien was Couperus amper vijfentwintig jaar toen hij zijn huzarenstuk tot een goed einde bracht.


Geestesvibraties en uitweidingen

Toch vergt het anno 2013 veel zitvlees en doorzettingsvermogen om Eline Vere zonder leesletsels tot een goed einde te brengen. Ooit werd dit lijvige boek gepercipieerd als een ‘moderne’ roman, uiterst invoelend in de personages. En dat is zeker niet gelogen. Maar Couperus was niet vies van ellenlange uitweidingen. De optocht van personages die zich in de Haagse coterieën ophouden, is op de duur van het goede teveel, net als de detaillering van de interieurs en hun geestesvibraties. Hij lepelt ons niet enkel het gevoelsleven van Eline op, maar ook wijd en zijd dat van andere jonge vrouwen in de burgerkringen, met namen als Frédérique, Lili, Marie, Catoun en Ange. De opgesierde frases wentelen soms als een rusteloze rivier onder hoge stroom. Tegelijk raak je vaak behoorlijk gestremd tijdens het lezen. Wat met de “zelfverzonnen woorden als “verkalmen, verfurieën, opsomberen, wazigen, gevoeling en welweting”, vraagt Iris Pronk zich af, om van de talloze Franse woorden (“regretteren”) nog maar te zwijgen? Nu ja, Frans was natuurlijk de voertaal in de Haagse beau-monde. Neerlandici zijn overigens nog altijd zoet met het bestuderen van Couperus’ woordenpracht en taaltechniek: zijn voorliefde voor interpunctie – komma’s, streepjes, suggestieve puntjes en zelfs lijnen – , de door elkaar gehusselde en daardoor soms plechtstatige zinsbouw, de samengestelde woorden. In De Standaard bracht recensent Mark Cloostermans onlangs dan ook een onontkoombare kwestie te berde: de snelle afstand die groeit tussen Couperus en de hedendaagse lezer, vanwege zijn archaïsche en complexe taalgebruik. En hij citeerde neerlandicus Gé Vaartjes: “De afstand tussen Couperus en jonge lezers wordt ‘met zevenmijlslaarzen’ groter.” Net als bij auteurs als pakweg Karel van de Woestijne vervreemdt de hedendaagse lezer in ijltempo van dit proza. “Toch is het duidelijk dat toekomstige heruitgaven van Couperus een batterij voetnoten kunnen gebruiken. De vraag is of ook de uitgevers daarin willen investeren”, concludeerde Cloostermans. Aan de heruitgave bij LJ Veen is in ieder geval een zeer verhelderend nawoord toegevoegd. Dat is al dat. Maar wij willen wel ‘ns weten of jij diezelfde ervaring had: regelmatig achter de oren krabben bij zoveel taalkunstmatigheid? Of is Couperus lezen toch nog steeds een exquis esthetisch genoegen?

Dirk Leyman

Er is zojuist een heruitgave verschenen: Louis Couperus, Eline Vere, LJ Veen Uitgeverij, 565 pagina’s, 15 euro, met nawoord van HTM Van Vliet.

Zie ook het dossier van Johan De Haes over  150 jaar Couperus op Cobra.be

U kunt hier onder zelf uw mening kwijt over Eline Vere. Dan maakt u kans om een volgende klassieker uit de literatuur te winnen.